HOE SCHRIJFT MEN POEZIE ? Lexicon voor een
"eeuwig" beginnend dichter (1)
door Henri Thijs












Hoe schrijft men poëzie?  Hierop kan men kort of lang antwoorden met
volgende nuances:  
zeer kort, gewoon kort en langer.  Een zeer kort en
laconiek antwoord bij voorbeeld is: “schrijf niet tenzij je niet anders kunt,
tenzij je moet”.  Een gewoon kort antwoord waarmee men alle kanten op kan
luidt: “op talloze, verschillende manieren”.  En een ietwat
langer antwoord:
“kiest alleen de best voor jou passende wijze voortspruitend uit je eigen
ervaring”.
Een daarmee correlerende vraag zou dan kunnen zijn: “Welke verschillende
manieren bestaan er en welke is te verkiezen voor het starten van een gedicht?”
Een goede raad: wacht niet op de inspiratie als het bevrijdend manna uit de
hemel, wat dan ook weer niet wil zeggen dat je bij het schrijven helemaal
zonder inspiratie kunt.  “Inspiratie, daar wacht elke dichter op” is al lang geen
boutade meer.  Maar er zijn twee opties te bespeuren: wachten op de inspiratie
om het gehele gedicht te schrijven of om ermee aan te vangen.  Kiest men de
eerste mogelijkheid dan komt men ontegensprekelijk terecht bij het “zeer korte
antwoord” van hierboven. En dan zou er, neem dat maar gerust aan, zeer weinig
geschreven worden ook door veelschrijvende beroepsauteurs.  Wees voor alles
de gedachte van Ch. Baudelaire indachtig:
elke kunstuiting is 10% inspiratie en
90% transpiratie
.  Dat is zeker geldig voor de poëzie, vanuit ons standpunt de
alleredelste van alle kunsten.  Het zeer korte antwoord hierboven is eigenlijk
ruimer op te vatten als zijnde: “schrijf alleen wanneer je gedreven wordt om te
schrijven en iets dringends te vertellen hebt.”  Maar reken hierbij niet volledig
op de inspiratie om de klus 100% te klaren, want dan kom je bedrogen uit.   
Meestal toch, alhoewel er natuurlijk uitzonderingen bestaan waarbij het
gedicht in één ruk op basis van een inspiratiegolf tot een goed einde wordt
gebracht.  Maar laat ons dichterlijk eerlijk wezen: dat komt eerder zelden
voor.  De inspiratie als alles overheersende bron van het geschrijf kan dus op
verschillende wijzen tot ons komen: in één grote golf die het gedicht 100% kan
bevloeien, of druppelsgewijs waarbij zij zich aandient als een idee, een concept,
een manier om de dingen te bekijken en te interpreteren. In dat laatste geval,
dat naar ons gevoelen overheerst, zal het gedicht moeten worden opgebouwd
rond die idee, dat concept of wat het ook moge wezen.  
Hoe bouw je een gedicht op ?  En daarmee komen we dan tot het netelige
probleem van de constructie, de kern van de zaak wat het maken van een
gedicht betreft.  Alles hangt af van het startpunt waarmee je begonnen bent.  
Veronderstel dat je alleen maar een idee, een concept voor ogen had.  Iemand
heeft bij voorbeeld in een inspiratieflits het beeld voor ogen gekregen van de
lengte van het mensenleven dat kan gemeten worden aan de hand van het aantal
borden, messen, koppen …van het keukenbestek. Een uiterst banaal voorbeeld
misschien maar het illustreert hoe de vork aan de steel gaat zitten.  Hoe kan
men daar best mee omgaan, is de vraag?  Het eerste dat in het oog springt is de
lengte van het gedicht.  Het bestek/leven-idee is niet van aard, zoveel is
duidelijk, om een lang gedicht te kunnen construeren.  Het zal dus een kort
gedicht worden.  Deze beknoptheid is voor dit soort gedichten ook heel
belangrijk.   Proberen het gedicht te rekken zou hier nefast kunnen uitlopen en
de potentie en impact van het gedicht in de kiem smoren.   Dus : een paar zinnen
moeten volstaan om dit idee om te bouwen tot een bruikbaar gedicht.  Dan komt
er een volgend probleem om de hoek kijken, nl. de opbouw van de lettergrepen
in die zinnen en vooral de
ritmische structuur van die lettergrepen.  De manier
waarop die structuur wordt aangevat zal bepalend zijn of moeten zijn voor het
gehele concept van het gedicht.  Zinnen kunnen bij voorbeeld hetzelfde aantal
lettergrepen tellen, of sommige zinnen kunnen kort zijn, andere weer lang.  
Deze aspecten kunnen het voorwerp zijn van een bewuste opbouw, een
geestelijk plan dat de auteur vooraf in gedachten had, of zij kunnen
harmoniëren met de wijze waarop het gedicht zich naar het inzicht van de
auteur zou dienen te ontwikkelen.   De ervaring zal ook hier weer een oplossing
moeten brengen en bijdragen tot de afwikkeling van dit soort aanvoelen.
Dan hebben we het nog niet gehad over het
rijmschema dat noodgedwongen een
plaats moet toebedeeld krijgen in het geheel.  Ook hier zijn de mogelijkheden
zeer talrijk door de verschillende combinaties die aangewend kunnen worden.  
Een gedicht dat rijmt kan dat op verschillende manieren doen: op het einde van
elke zin, of met alternatieve rijmen zoals rijmen in elke derde zin, enz.  
Daarenboven kan dat rijmen ook intern gebeuren waarbij woorden gaan rijmen
binnen dezelfde zin bij voorbeeld.
Dit alles wijst er overduidelijk op dat het gedicht moet onderworpen worden
aan een zekere vorm van discipline.  Veel mensen en aankomende dichters
denken dat niets gemakkelijker is dan het schrijven van zgn. “vrije verzen” en
dat men zich in zo’n gedicht bijna alles kan veroorloven.  Niets is echter minder
waar.  Zulke meningen leiden alleen maar tot het schrijven van zeer slechte
poëzie.  Kwalitatief hoogstaande vrije verzen schrijven is de moeilijkste
opdracht die er bestaat, precies omdat er oppervlakkig gezien geen duidelijke
discipline zichtbaar is.  Maar deze discipline is zeker aanwezig en moet er zijn
om het door de auteur gewenste effect te kunnen bereiken.  
Voor een beginnend auteur is het aan te bevelen gedichten te schrijven die
rijmen.  Maar let op: gebruik geen overmatige rijmen die de verzen te zeer
belasten. Zoek daarom naar afwisselende woorden om een effect te creëeren
liever dan de eerste de beste die voor de geest komen te gaan gebruiken.  
Probeer bij voorbeeld liever een abab-rijm of een abcabc-type dan het vaak té
veel gebruikte aabb.
Latente gevaren die hier zeker om de hoek komen kijken zijn de zgn. CLICHES.  
Het gebruik daarvan is zo een gemakkelijke val omdat het gaat om zinnen en
woorden die we zo vaak gehoord hebben dat zij a.h.w. automatisch dringen in de
verzen.  Een goed gedicht moet immers steeds een bepaalde graad van
originaliteit uitstralen.  Clichés zijn in het algemeen irriterend zoals vliegen op
de huid.  Daarom moeten we het beginnend gedicht regelmatig uitkammen om de
clichés te ontdekken en te verwijderen en indien mogelijk te vervangen.
Als het gedicht deze stroom van talrijke tribulaties en structuuringrepen heeft
overleefd komt eindelijk het stadium van de afgewerktheid in zicht. Het is
ronduit een goede gewoonte van het enkele weken weg te leggen en te laten
rusten. Afstand nemen noemt men dat in het jargon. Want goede poëzie heeft
ook inhoudelijk afstand nodig.  Haal het daarna weer eens te voorschijn en
herlees het regelmatig en herhaaldelijk.  Wees nu uiterst streng voor jezelf!  
Verwijder alles dat niet op zijn plaats zit of storend overkomt (clichés,
herhalingen van hetzelfde woord, gebrekkige zinsbouw, taalfouten, enz.) en
herwerk het vervolgens zolang tot je van oordeel bent dat je aan het einde van
je latijn gekomen bent en geen alternatieven meer hebt in de fantasiekoker van
je verbeelding om te sleutelen aan je werkstuk.  Pas daarna is het tijd om het
voorzichtig in de openbaarheid te brengen en het voor te leggen voor
publicatie.  Want poëzie schrijven voor zichzelf is goed maar geen lang leven
beschoren.  Wees vooral niet afgeschrikt door de veelvuldige weigeringen die je
her en der zeker gaan te beurt vallen.  Zij behoren tot het normale en
moeizame ritueel van een publicatie. Maar verlies vooral niet uit het oog, dat je
gekozen hebt voor een literair medium dat het moeilijkst aan de man (of vrouw)
te brengen is.   Uitgevers zijn helemaal niet happig op nieuwe poëzieproducten
en staan hoegenaamd niet te trappelen om het risico van een uitgave te wagen en
een commerciële flop aangesmeerd te krijgen.  Daarom is het altijd aan te
bevelen je maaksels eerst naar periodieken en e-zines op te sturen.  Zo krijg je
al een beeld van de receptie van je werk.  Indien dat succesvol blijkt kun je
beginnen met een volledige bundel samen te stellen en op te sturen.   En dan
begint het echte scenario dat soms veel weg heeft van een kruisweg, maar
waarmee je moet leren omgaan. Je kunt om te beginnen geluk hebben.  Het is
niet altijd kommer en kwel in het commerciële circuit van de uitgeversbonzen.
Zo zullen sommige uitgevers misschien suggesties voor verbetering voorstellen.  
Maak daar gretig gebruik van, maar blijf de gedichten inzenden en voorleggen.
Andere uitgevers zullen dan weer niets van zich laten horen.  Onthoud die
adressen en stuur naar die onbeschofteriken nooit nog een gedicht.  Nog een
andere groep uitgevers zal beleefd en kordaat antwoorden maar je werk
afwijzen.  Niet versagen.  Op hen moet je je inzendpijlen blijven richten,
weliswaar met gewijzigde en herwerkte gedichten en met nieuwe versies.  Haak
nooit te vlug af en laat je vooral niet ontmoedigen.  Je moet er mee leren leven
dat niet iedereen van je gedichten zal houden, maar de primordiale eis om te
slagen in het opzet is dat jezelf rotsvast blijft geloven in en houden van
het (=jouw) gedicht.  

Wij nemen ons voor in een reeks artikelen het scheppingsproces van een gedicht verder
te analyseren en te becommentariëren.  Dit is het eerste deel van het Lexicon dat een
algemeen beeld schetst van het maken van een gedicht vanaf de bron (inspiratie) tot aan
de publicatie.   De verschillende stappen die dit proces begeleiden worden in
afzonderlijke bijdragen nader toegelicht.  


(geplaatst op 14-12-2003)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.