TWEE VERHALEN VAN LEO DUYM (2)
("Fuchsia's voor Rebecca" en "Felicitaties met jouw schrijversdebuut")

FUCHSIA’S VOOR REBECCA

Voorwoord

De Amishvolgelingen, genoemd naar hun christelijk-fundamentalistische leider Jacob
Ammann, leven een teruggetrokken bestaan in 22 staten van Amerika en in delen van
Canada. Hun afwijzing tegenover wetenschap en techniek doet ons onmiddellijk, maar
niet helemaal terecht, aan de middeleeuwen denken. De Amish verwerpen het gebruik
van elektriciteit en het bezit van een wagen. De bijbel wordt letterlijk
geïnterpreteerd. Bovendien houden ze zich aan de ongeschreven regels van wat ze met
een onvertaalbaar woord de ‘Ordnung’ noemen.
http://www.800padutch.com/amish.shtml


Californië – Lancaster - 1960

“Daar heb je die oude zak met zijn windeieren weer”, grinnikte Joe terwijl hij aan
zijn whisky nipte. Onverstoord zette Amos het rieten mandje voorzichtig op de toog
en wachtte tot barman Tony te voorschijn kwam om de verschuldigde 2,42 dollar te
betalen.
Als aan de grond genageld bleef hij zoals altijd onbeweeglijk voor zich uitstaren. De
spotternijen die hij ook ditmaal over zijn kleding, zijn verwilderde baard en zijn
lange haardracht te horen kreeg, deerden hem niet.
Met zijn zwarte hoed en zijn zwarte mantel had hij veel weg van een
begrafenisondernemer, althans dat vonden de drinkebroers van Tony’s saloon. Het
brilletje met zijn dikke ronde glazen gaf zijn donkerbruine ogen iets rattigs. Meestal
had hij het lef niet om iemand van die ruwe kerels in de ogen te kijken, maar dat
hoefde ook niet. Hij had immers met niemand iets uit te staan, en zodra hij zijn geld in
ontvangst had genomen, stapte hij op. Maar ditmaal verliep Amos’ wekelijkse bezoek
helemaal anders.
“Al van de bil geweest vandaag?”, riep Joe op een uitdagende toon naar de
godvrezende man. Iedereen lachte. De getreiterde gaf echter geen krimp en wachtte
geduldig op Tony, die in de keuken een maaltijd bereidde voor een klant.
“Hé, lijkbidder, ik vroeg je wat, of doen de Amishvolgelingen het met hun oren?” “Ze
doen het helemaal niet”, riep John schaterlachend, “bij hen is de heilige geest in het
spel.” “Van neuken word je doof!”, riep dan weer iemand anders.
Aangespoord door de bijval die hij met zijn spotten oogstte, zette Joe zich in
beweging. Met een whiskyglas in zijn hand slenterde hij naar zijn slachtoffer en hield
pal naast hem halt. Het werd muisstil. Niemand wilde een woord missen van wat hij
ging zeggen.
“Zijn ze vers?”, vroeg Joe nadat hij een ei uit het mandje had genomen en vijf
dollarcent op de toog had gelegd. “Je ziet, we zijn geen dieven zoals je wellicht
denkt”, zei hij gespeeld ernstig. “Ik betaal trouwens te veel. Vijf cent is de prijs van
een hardgekookt ei, maar dit is rauw. Of vergis ik me?”
Alsof hij het deksel van een pot vasthield, tilde hij Amos’ hoed op en sloeg het ei op
zijn hoofd stuk. “Neen, ik vergis me niet!”, brulde hij van het lachen, terwijl het eigeel
van Amos’ neus drupte.
Zonder ook maar één woord of gebaar van verzet had Amos die vernedering
ondergaan. Joe was echter nog niet voldaan, integendeel. Pas nu voelde hij zich op
dreef komen. Met een onderzoekende blik zette hij Amos’ bril af en zei: “Laat me die
rattenoogjes van jou eens zien, en veeg je snotneus schoon, of heb je geen opvoeding
gekregen?”
Niet iedereen in de saloon bleef even uitbundig lachen. De meesten vonden dat het
genoeg was geweest en vroegen zich bezorgd af wat Joe met die bril van plan was.
Ook van John moest het stoppen. “Kom Joe, laat hem zijn neus schoonvegen en geef
die bril terug. Die kerel ziet anders zo scheel als een otter.” “Ha, een otter, ja dat is
‘em, een otter, Amish de otter. Maar…, otters dragen geen bril, dus Amishmensen ook
niet, en dat betekent…”
Zoals men een sigaret uittrapt, zette hij zijn voet op de bril die kraakte onder zijn
heen en weer draaiende schoenzool. Een duw bracht hem echter uit zijn evenwicht.
“Klootzak”, schreeuwde John, “waarvoor was dat nodig?”
Men kon een speld horen vallen. Alle ogen waren gericht op John, die de bril van de
grond raapte en opnieuw model trachtte te leggen in het verwrongen montuur. Eén
brillenglas werd op de grond tot gruizementen vermalen; het andere zat nog
ongeschonden op zijn plaats. Behalve het schoonvegen van zijn neus, had Amos nog
steeds geen vin verroerd.
John zag dat er een traan in de man zijn baard liep. Lichtjes beschaamd overhandigde
hij hem wat van de bril overgebleven was. “Een traan voor een werelds bezit?”,
opperde hij. Voor het eerst keek Amos hem aan. “Zonder bril zie ik te weinig om mijn
werk naar behoren te kunnen doen”, antwoordde de Amish bedroefd.
Een plooi verscheen in Johns voorhoofd: “Wat kost zo’n bril?” “Zo’n tien dollar.” “Dat
kan toch nooit een probleem voor een Amish zijn”, zei John sussend, “misschien
verdienen jullie niet zo veel, maar jullie geven per maand minder uit dan een doorsnee
gezin bij ons in één week.”
Een nieuwe traan rolde over Amos’ gelaat. “Mijn vrouw is ernstig ziek. De
pijnstillende medicamenten kosten veel geld en ik wil onze broedergemeenschap niet
al te veel tot last zijn. Ik…” “Geloof hem niet!”, onderbrak Joe roepend, “het zijn
leugens om je te vermurwen, niets anders.” “Is je vrouw echt ziek?”, vroeg John bijna
onhoorbaar. “Volgens de dokters heeft ze niet lang meer”, antwoordde Amos, die
moeite had om een huilbui te onderdrukken.
“Hmmm”, mompelde John met samengeperste lippen en hij gaf Joe zo’n harde kopstoot
dat deze achteroversloeg. Bovendien kieperde hij de tafel op Joe die pogingen deed
om zich op te richten.
“Je mag van geluk spreken dat je tien dollar op zak hebt”, snauwde John, die zich
naast Joe op zijn knieën had laten vallen. Demonstratief stak hij de portefeuille
terug in Joes binnenzak en zette de tafel overeind.
Toen John zich omdraaide, zag hij dat Amos verdwenen was. “Waar is die kerel?”,
vroeg hij zwaaiend met het geld. “Is Amos hier geweest?”, vroeg barman Tony, die
plots te voorschijn kwam met een dampende schotel bonen met ribstuk, en zijn oog op
het rieten mandje had laten vallen. “Ja, hij was hier, maar hij kon niet langer
wachten”, antwoordde iemand. “En hier ligt vijf dollarcent”, merkte John op, “Joe had
zo’n honger dat hij zelfs een rauw ei lustte.”
Spoedig keerde de rust weer terug. Na lang zoeken in zijn paperassen, kon Tony aan
John vertellen waar Amos precies woonde. Op zijn vraag waarom John dat wilde
weten, volgde niet meer dan een vaag antwoord.

*

Het maanlicht verlichtte de stoffige zandweg die naar de vallei leidde. Het was niet
de eerste maal dat John met zijn truck naar het Amishdorpje reed. Vorig jaar legde
zijn lasbedrijf er een netwerk van gasleidingen aan.
De zacht geelrode gloed van negentiende eeuwse gaslantaarns viel als een ragfijne
sluier over de houten huizen. Geen levende ziel was er te zien. Alleen het streepje
licht dat hier en daar door de spleet van een toegeschoven gordijn piepte, verraadde
de aanwezigheid van mensen.
De laatste honderd meter die hij van Amos’ boerderij verwijderd was, legde hij te
voet af. Nieuwsgierig tuurde hij door één van de vele barsten in de houten raamluiken.
Zijn oog viel op Amos, die met een doek het voorhoofd van een vrouw bette. Blijkbaar
stond hij er niet alleen voor, maar kreeg hij hulp van een vrouw die voortdurend heen
en weer liep met doeken, kommen en bekers. Haar gezicht en bovenlichaam kon John
door die nauwe houtspleet niet zien.
Met een gefronst voorhoofd staarde hij als versteend naar de twee briefjes van vijf
dollar die hij in zijn hand hield. Plots stak hij zijn hand in zijn binnenzak en haalde
zijn portefeuille eruit, waaruit hij tien dollar nam. Door een misplaatste stap deed hij
een tak breken, waarop een hond blaffend alarm sloeg. “Wie is daar?”, riep Amos die
enkele ogenblikken later de deur opende.
Terwijl John op de man toestapte en in het licht van de deuropening kwam te staan,
zei hij: “Ik ben het, John, John van Tony’s saloon. Ik kom je jouw tien dollar
bezorgen, en zelf leg… ” “Doe geen moeite”, zei Amos hoofdschuddend. “Ik heb gezien
hoe je met geweld dat geld uit zijn zak wegnam. Ook dat is in de ogen van de Heer
diefstal. Ik…” “Maar man toch!”, schreeuwde John. “Met dat ene brilglas kun je toch
niet blijven rondlopen? Ik durf te wedden dat je mij met je linkeroog niet eens ziet
staan.” “Ook wedden is niet van de Heer,” zei Amos streng, “maar gelijk heb je. Ik zie
jou met mijn linkeroog nauwelijks staan. Maar dat is de prijs die ik betaal om mijn
beide geestesogen op Gods wet gericht te houden.” John stond perplex. De
vastberadenheid waarmee hij Amos hoorde praten, stak schril af tegen de schichtige
houding die hij in de saloon aannam. “Toch ben je bedankt”, voegde Amos er
droefgeestig aan toe, waarop hij de deur zachtjes sloot. Verslagen slenterde John
naar zijn truck.
Net voor hij wou instappen, hoorde hij achter zich het geluid van iemand die kwam
aanhollen. “Mijnheer, ik ben Amos’ dochter”, hijgde de jonge vrouw. John herkende de
kleren die ze droeg. Zij was degene die Amos hielp bij het verzorgen van de zieke.
“Beoordeel mijn vader niet te streng. Ik weet wat er gebeurd is. Hij heeft dringend
een nieuwe bril nodig, maar valse schaamte weerhoudt hem om tegen de Ouderlingen te
zeggen hoe berooid we er aan toe zijn. En van een ongelovige geld ontvangen, kan
helemaal niet. Maar ik zou die nieuwe bril kunnen kopen, misschien legt hij er zich dan
wel bij neer.”
Het maanlicht scheen voor John fel genoeg om te zien dat ze een opmerkelijk knap
snoetje had. Hij vond het jammer dat haar schoonheid onrecht werd aangedaan door de
potsierlijke kleren waarin ze rondliep en het samengebonden haar dat als een
meterslange ringworst op haar hoofd lag.
“Goed”, glimlachte John. En hij gaf haar twintig dollar. “Vergist u zich niet?”, vroeg
ze aarzelend. “Tien dollar volstaan voor een nieuwe bril.” “Voor je moeder, voor
haar… verzorging”, antwoordde John. Bijna had hij het woord ‘begrafenis’
uitgesproken. “Moeder heeft niet lang meer”, antwoordde ze met neergeslagen ogen.
“Maar waarom doet u dat voor ons?” “Noem me maar John”, glimlachte hij en stak zijn
hand uit.
Met een onwennige glimlach beantwoordde ze zijn gebaar en zei bijna onhoorbaar:
“Mijn naam is Rebecca… weet u zeker dat u die tien dollar kunt missen?” John schoot
in de lach. “Tien dollar is het bedrag dat ik elke dag bij Tony verteer.” Verrast keek
ze hem aan en vroeg gedurfd: “En,… wat vindt jouw vrouw daarvan?”
Lachend stak John zijn beide handen uit. “Kijk, nog niet geringd en ook nooit geweest.
Maar zeg me eens, hoe oud ben jij, als ik vragen mag?” “Ik moet nu gaan”, antwoordde
ze geschrokken. “Nogmaals bedankt.”
Toen ze zich zo’n tien passen van hem verwijderd had, draaide ze zich plots om en
riep met één adem: “Lieve John, ik ben vijfentwintig, daag!” Alsof ze iets
onwelvoeglijks had geroepen, liep ze zo snel ze kon naar huis.
‘Vijfentwintig. Net als ik’, dacht John toen hij met zijn truck naar huis reed.

Een week later

Met tevredenheid vernam John van een tapkasthanger, dat Amos een nieuwe bril
droeg toen hij die morgen eieren was komen leveren. John moest almaar denken aan
Rebecca, vooral omdat hij haar misschien opnieuw zou ontmoeten. Een gasleiding in het
Amishdorp moest dringend hersteld worden. Hij vroeg zich echter af of het wel
verstandig was om zijn hoop op haar te vestigen.

*

Na het lassen van een bijpas reed hij naar Amos’ boerderij. Nog voor hij kon
aankloppen opende Rebecca de deur. “Ik moest in het dorp zijn… ik kom even
goedendag zeggen” zei John, die zich geen houding wist te geven terwijl hij aan zijn
hoed friemelde.
“Ik heb je horen aankomen”, zei ze op een zachte maar zwaarmoedige toon. “Toevallig
ben ik thuis. Moeder is eergisteren begraven. Ik sta nu opnieuw voor de klas.”
Een guitige glimlach verdreef haar droefgeestige gelaatstrekken toen ze zag hoe
John, sprakeloos en met open mond, had staan luisteren.
“Wellicht overdonder ik je. Ik wil ook altijd alles tegelijk zeggen. Het is zacht weer,
laat ons een eindje wandelen, ik heb nog wel even een half uurtje.” Zonder John de
kans te geven iets te zeggen, trok ze de deur achter zich dicht. Samen wandelden ze
naar de zandweg waarlangs John gekomen was.
“Wat jammer voor je moeder”, zei hij medelevend. “Ach, het is beter zo”, zei ze
gelaten. “Haar laatste tien levensjaren lag ze ziek op bed. Langer dan vier uur kon ik
moeder niet alleen laten. Mijn vader en de ouderlingen vonden het goed dat ik haar
verpleegde. Ik hoefde nog niet aan het stichten van een gezin te denken, wat onder
normale omstandigheden wel van een achttienjarig meisje verwacht wordt. Bovendien
kon ik de verzorging van moeder combineren met dagelijks een aantal uren voor de
klas te staan en de allerkleinsten in de zondagsschool te onderrichten. Maar de
laatste maand van haar leven kon dat niet meer. Ik waakte dag en nacht bij haar bed.
Moeder is vredig gestorven, en nu is ze bij de Heer. Sinds gisteren neem ik opnieuw
mijn taak als lerares op me.”
Even viel er een stilte. Belangstellend vroeg John naar de leeftijd van haar leerlingen.
“Alle leeftijden zitten in hetzelfde lokaal. De jongsten zijn zeven en de oudsten
veertien. Na die leeftijd gaan ze op de boerderij van hun ouders werken of in hun
handelszaak. Zelf heb ik ook maar tot mijn veertien jaar school gelopen. Het jaar
daarop werd moeder ziek. Ik verzorgde haar, runde het huishouden en mocht reeds
als vijftienjarige les geven. Ik was vrijer dan de andere kinderen van mijn leeftijd.
Ik had het voorrecht om leerboeken te mogen aankopen, weliswaar na goedkeuring van
de Ouderlingen. Ook leerde ik typen.”
John glimlachte. Vertederd genoot hij van elke beweging die haar volmaakte lippen en
kin maakten. Zachtjes legde hij zijn hand op haar wang waarop ze haar ogen naar een
van de naburige boerderijen draaide.
“Het is tijd, ik moet terugkeren”, zei ze plots tot Johns ontgoocheling.

Drie maanden later – december 1960

Voor John ging het leven opnieuw zijn gewone gang. Een leven dat bestond uit hard
werken en ’s avonds in de kroeg biertjes drinken. Ook een kort avontuurtje met een
schone uit een naburig dorp ontbrak er niet aan.
Toch kon hij Rebecca niet vergeten. De minste aanleiding was voldoende om opnieuw
aan haar te denken: een Amish die met zijn huifkar voorbijreed, Rebbeca’s vader die
met zijn eieren de kroeg binnenstapte, en natuurlijk de bodes uit het Amishdorp die
geregeld kwamen aankloppen met de vraag een herstelling uit te voeren. John had zich
echter voorgenomen om zelf niet meer naar het Amishdorp te gaan, maar alle
werkzaamheden door zijn gasten te laten uitvoeren.

*

Op de late avond van 22 december werd er tot Johns ongenoegen aangebeld. Het was
de eerste maal dat hij naar zijn allereerste kleuren tv-toestel keek.
“Goedenavond”, groette een man toen John de deur opende en er een ijskoude wind in
zijn gezicht sloeg. “Ze zegt dat ze hier moet zijn”, zei de onbekende terwijl hij naar
de vrouw keek die aan zijn arm hing en rilde van de kou. “Ze liep hier in de buurt
verdwaasd rond. Ik vrees dat ze werd lastig gevallen.”
Snikkend hield de vrouw haar hoofd voorovergebogen. Haar loshangende haren die tot
aan haar dijen reikten, bedekten haar gezicht en bovenlichaam. “Rebecca!”,
schreeuwde John toen ze haar hoofd oprichtte en een deel van haar gezicht zichtbaar
werd.
“Hartelijk bedankt”, stamelde John tegen de behulpzame man terwijl hij Rebecca bij
haar arm greep en haar over de drempel hielp. “Ik heb me tijdig kunnen losrukken”,
zei ze snikkend. “Mijn bovenkleding is stuk. Die bruut had het op dit rugzakje gemunt
waarin niet meer dan wat waardeloze spulletjes zitten.” “Kom, rustig nou”, zei John
sussend. “In de living is het lekker warm. Drink eerst iets. Vertel me dan maar wat er
gebeurd is.”
Zwijgzaam schonk hij haar een kop koffie in. In het licht van de kroonluchter zag hij
aan haar lijkbleke gezicht dat ze uitgeput en onderkoeld was.
“Heb je heel die weg te voet afgelegd?”, vroeg hij voorzichtig. Met een stille glimlach
knikte ze zachtjes, terwijl ze de kop hete koffie met beide handpalmen omsloot.
Waarom ze precies bij hem had aangeklopt, vroeg hij niet. De zoete gedachte dat ze
voor hem kwam, wilde hij zo lang mogelijk koesteren.
“Ik ben gevlucht” zuchtte ze. “Ik durf nooit meer terug te gaan… en ik wil ook nooit
meer terug. Toch schaam ik me voor het onrecht dat ik David Lapp en zijn oude vader
heb aangedaan.” “Wie is David, hoe?” “David Lapp is een vrome en welstellende
weduwnaar van zestig. Ik leerde hem kennen als de grootvader van één van mijn
leerlingen. Ik vond hem een boeiend en geestig man, iets wat niet van iedereen in ons
dorp kan gezegd worden. Hij en onze gemeenschap beschouwden ons als gemaakt voor
elkaar. Voor ik het goed en wel besefte, had ik hem mijn jawoord gegeven en werd
mijn naam in de kerk afgeroepen, samen met die van dertig achttienjarige meisjes die
besloten hadden te huwen. Zoals gebruikelijk legden zijn en mijn vader de
huwelijksdatum vast.”
“Wanneer was dat?”, vroeg John na een korte stilte. Zuchtend liet Rebecca haar
hoofd hangen en sloeg beide handen voor haar gezicht. “Vandaag, om vijf uur in de
namiddag. Ik kon het niet. Alles in mij schreeuwde om niet met een man te trouwen op
wie ik niet verliefd ben. Arme David, zo’n goede man, hij verdient beter.”
“Weten ze dat je hier bent?” vroeg John, “misschien zijn ze je aan het zoeken?”
Zelfzeker schudde ze haar hoofd. “Waar ik ben weet niemand, maar tijdens mijn
vlucht heb ik meerdere bekenden ontmoet die ik allerlei zaken toeschreeuwde. In de
ogen van mijn vader ben ik nu ongetwijfeld een verloren dochter naar wie men op de
uitkijk staat, niet achter wie men aanholt.”
Haar bleke wangen kregen opnieuw wat kleur. Opeens viel haar oog op het tv-toestel
dat nochtans heel de tijd was blijven aanstaan. Met open mond keek ze naar het
flikkerende scherm dat beelden vertoonde van wapengekletter.
“Wellicht de eerste maal dat je zo’n toestel ziet”, merkte John glimlachend op.
Rebecca wendde hoofdschuddend haar ogen van het scherm. “Alles doet hier vreemd
aan. Eerst word ik door een dronken bruut aangerand, en wat later brengt iemand me
volslagen belangeloos bij jou.
Teder legde hij zijn vinger onder haar kin en deed haar opkijken. “Niet alles is hier
vreemd”, zei hij gedurfd met een hoopvol hartje. “Misschien vind je juist hier, hier bij
mij, iets van jezelf dat je verloren hebt.” Alsof ze broos en breekbaar waren als het
kostbaarste porselein, drukte John zijn lippen heel even op haar openstaande mond.
Rebecca bloosde. Voor het eerst verscheen opnieuw die guitige trek op haar gezicht
waardoor John zich als betoverd voelde. Nu was hij er zeker van dat de verliefdheid
wederzijds was.
“Ik ben nu al intiemer met jou geweest dan met David”, zei ze met een lichte zelfspot.
“En als het moet, zal ik om jou in bed te krijgen, meer geduld uitoefenen dan ik ooit
voor een vrouw heb opgebracht”, zwoer John stilletjes in gedachten.
De dikke kleren die ze droeg, gaven hem geen enkele voeling met haar lichaam. “Ik
denk aan iets”, zei hij terwijl hij haar zachtjes van zich wegduwde. “In de slaapkamer
waar je straks kunt slapen, staat een kist met kleren van mijn moeder. Wellicht vind
je daarin iets dat je past; mijn moeder was eveneens groot van gestalte.” Verblijd
knikte ze instemmend, maar onmiddellijk daarop trok ze een bedrukt gezicht.
Meewarig vroeg ze: “Leven je ouders nog?” Met zijn lippen op elkaar geperst schudde
hij zijn hoofd. “Vorig jaar zijn beiden verdronken tijdens een pleziervaart op de
Missisippi. Broers of zusters heb ik niet, en van de ene dag op de andere werd ik
bedrijfsleider over veertig arbeiders.”
“Hoe kon jij weten dat je hier welkom was?”, vroeg John na een korte stilte. “Stel dat
ik intussen een vrouw had leren kennen met wie ik samenleefde?”
“Kun je geloven dat ik daar nog geen ogenblik aan gedacht heb?”, zei ze ietwat
verwonderd. “Toen ik mijn dagelijkse kleren wou uittrekken om in mijn trouwkleed te
stappen en me voor het eerst aan alle genodigden zou tonen, was ik alleen. Een
panische angst overviel me. Vlug pakte ik wat ondergoed en een pyjama uit de kast en
rende ongezien door onze kippenren het huis uit. Jij was de enige mens op aarde naar
wie ik kon gaan. Ik zou trouwens ook niet geloofd hebben dat die verliefde ogen van
jou iemand zo vlug konden vergeten.” Lachend veerde John op. “Kom, laat ons gaan
kijken naar je outfit”, zei hij. Enthousiast volgde ze hem op de trappen van het één
verdieping hoge herenhuis dat zes bovenkamers telde. Toen John het licht aanstak en
de kamer tot in het kleinste hoekje verlicht werd, stak Rebecca haar hand uit naar de
lichtschakelaar. “Mag ik?”, vroeg ze met een kwajongensblik. Meerdere malen na
elkaar deed ze het licht snel aan en uit. “Ander speelgoed heb ik niet”, schertste
John, waarop ze hem een speelse vuiststoot in zijn maag gaf.
De kracht waarmee John haar plots met zijn rechterarm tegen zich aandrukte, samen
met zijn tedere zoenen en zachte strelingen over haar wangen, bracht Rebecca in zo’n
gelukzalige vervoering, dat ze het gevoel had te zweven.
“Aanstonds liggen we beiden op de grond”, riep John waarschuwend. “Ik kan je niet
langer recht houden, zo’n lichtgewichtje ben je nu ook weer niet.” Rebecca liet
opnieuw haar volle gewicht op haar voeten rusten.
“Als je niet langer kunt staan, moeten we beiden maar op bed liggen”, dacht John
opnieuw heel stilletjes. Hij beheerste zich echter om die suggestieve opmerking niet
te maken. Er mocht immers niets gebeuren wat haar zou afschrikken.
“Ik, heeuu… ik wil je toch iets vragen”, zei hij op een onbeholpen manier en met een
nerveus lachje, “vroeg of laat moeten we er toch over praten.” “Wat wil mijn lieve
John nu eigenlijk zeggen?”, lachte ze toen ze vaststelde dat er ook in hem een kleine,
onzekere jongen huisde.
“Wel,… ik meen te weten dat een Amish zich niet mag verloven met een niet-Amish.”
“Luister”, zei ze, en zette zich op de rand van het bed. “Ik ben diep gelovig, maar
juist daardoor weet ik wat voor nutteloze en zelfs onbijbelse opvattingen er in onze
gemeenschap gehuldigd worden. En dan spreek ik nog niet over de hypocrisie die er
heerst. Dagelijks lees ik de schriften, en sinds ik je ontmoette, heb ik veel aandacht
besteed aan wat er geschreven staat over de houding die een christen moet aannemen
tegenover een ongelovig iemand. Weliswaar zegt Paulus in één Korintiërs zeven vers
negenendertig, dat een vrouw alleen mag trouwen met een christen, maar in één
Korintiërs vers dertien zegt hij dan weer dat een gelovige vrouw haar ongelovige man
niet mag verstoten. Blijkbaar hoeft het samenleven met een ongelovige niet per se
nefast te zijn voor je eigen geloofsleven.”
“Dat is meer bijbelonderricht dan ik in heel mijn leven gekregen heb”, zei John na een
korte stilte. Zwijgzaam zette hij zich naast haar neer. Rebecca’s laatste woorden had
hij duidelijk begrepen. Hij was niet haar enige liefde, misschien zelfs niet haar
grootste, maar wat kon het hem schelen waarin zij geloofde? Haar betoog had hem
juist hoopvol gestemd. Klaarblijkelijk was ze intelligent en geen volgzame kwezel die
men alles kan wijsmaken.
John legde haar hoofd tussen zijn handpalmen en duwde haar beide wangen naar
elkaar toe, zodat haar lippen zich plooiden tot een tuitvorm. “Misschien noem ik je
wel Babbeltuitje”, zei hij. “Maar eerst zal ik je de badkamer tonen en alles geven wat
je nodig hebt om je bed op te maken. Ik neem morgen vrijaf, ik bel wel naar mijn
assistent. Het is al één uur voorbij.”

*

De volgende morgen werd John zoals altijd om zeven uur gewekt door zijn radio.
Vanuit zijn bed staarde hij rechtzittend door het raam naar een gitzwarte lucht.
Langzaam drongen de belevenissen van de voorbije avond tot hem door. “Rebecca!”,
ging het door zijn hoofd. Hoofdschuddend lachte hij de gedachte weg dat er zich een
bloedmooie vrouw in huis bevond op wie hij stapelgek was, maar die toch niet naast
hem lag. Geeuwend slenterde hij naar de badkamer, en hij klopte aan. Toen hij geen
antwoord kreeg, maakte hij aanstalten om de deur te openen.
Een scherp geluid deed hem opschrikken. Terwijl hij aandachtig toeluisterde, boog hij
zich over de balustrade. Een zwak lichtschijnsel uit de keuken verlichtte de living.
Geruisloos stapte hij terug naar zijn slaapkamer en greep naar zijn geladen tweeloop.
Trede voor trede daalde hij de trap af, en trachtte zo min mogelijk krakende
geluiden te maken. In de weerspiegeling van de gelakte keukendeur zag hij het vage en
vertekende beeld van iemand die bewegingen maakte. Onhoorbaar zette hij het
geweer tegen de muur en trachtte zich zo goed mogelijk voor te stellen waar de
indringer zich precies bevond.
Met een korte aanloop wierp hij zich door het deurgat. Een snelle reflex deed zijn
aanstormende lichaam tijdig van koers veranderen, zodat hij met een felle klap tegen
het aanrecht botste en een gillende Rebecca ontweek.
Moeizaam richtte hij zich op, terwijl zij beide handen voor haar mond hield. “Heb je
je bezeerd?”, stamelde ze fel geschrokken en met een schuldige ondertoon. “Niets
ernstigs”, zuchtte John met een geforceerde glimlach. “Jij kunt het ook niet helpen
dat hier in huis al viermaal werd ingebroken, waarbij de keuken de achillespees bleek
te zijn.”
Met vragende ogen keek hij naar de ingrediënten die ze uit de kasten had gehaald. “Ik
wou een lekker ontbijt voor ons beiden voorbereiden… ik wist niet dat mijn
aanwezigheid hier, je zó in de war zou brengen.”
Pas nu merkte hij het lange donkere kleed op dat ze droeg. Hij herkende het
onmiddellijk als dat van zijn moeder die het kort voor haar dood gedragen had. Voor
het eerst had hij een idee over Rebecca’s borsten. Krachtig drukte hij zijn bijna
naakte lichaam tegen haar aan en zoende haar minder teder maar hartstochtelijker
dan ooit. Op het ogenblik dat hij ook bij haar die laaiende opwinding voelde, smeekte
ze: “Je moet me tijd geven, lieve John”, waarop ze hem zachtjes van zich wegduwde.
Met een diepe zucht knikte hij instemmend. Toen hij zijn geschaafde arm bekeek,
wierp ze een steelse blik naar zijn onderbroek en schrok bijna even erg als toen hij
daarnet binnenstormde. De inhoud van zijn anders precies passende slip, was in zulke
mate toegenomen, dat alles uitpuilde.
“Ik doe wel even verder”, zei ze met vuurrode wangen terwijl ze zich omdraaide. “Ik
kom zo dadelijk”, antwoordde hij en begaf zich terug naar de badkamer.

*

“Ik was verrast dat jij zoveel eetwaren in huis hebt” zei ze opgewekt, en ze beet in
haar met spek belegde boterham. “Koken is een hobby van me; weg van al dat las- en
plooiwerk”, antwoordde John bijna onverstaanbaar met een volle mond, “maar soms ga
ik bij Tony eten. Ik heb al heel wat roereitjes van jouw vader verorberd.”
Eensklaps viel op Rebecca’s gezicht een bedrukte trek. “Arme papa. Kon ik hem maar
laten weten dat ik gelukkig ben en me niet van God heb afgekeerd, zoals de meesten
wellicht zullen denken.” “Dat komt in orde, misschien word ikzelf wel een Amish”, zei
hij schertsend.
“Is het de eerste maal dat je een voet zet in de wereld der verdoemden?”, grapte hij
nogmaals. “Spot niet”, zei ze afkeurend nadat ze netjes haar mond had leeggegeten.
“Als kind ben ik vaak met papa op ronde geweest in Lancaster en omstreken. Ik hielp
hem met het afleveren van gebak en kippenvlees, maar in gelegenheden zoals Tony’s
saloon mocht ik zelfs niet door het venster kijken.”
John kon erom lachen. Wat ze zei, vond hij minder belangrijk, maar niet één van haar
gelaatsuitdrukkingen of handbeweging ontging hem.
“Kijk, het sneeuwt!”, riep ze plots. In het schijnsel van de straatlampen lichtten de
zware en snel vallende sneeuwvlokken heel eventjes op. “Dat wordt morgen voor
sommigen pret en voor anderen miserie”, merkte John op.
“Oh, ik hou zó van een witte kerst”, mijmerde Rebecca. “Enkele dagen voor Kerstmis
ben ik hier ooit als tiener geweest. Ik hielp mijn vader met het leveren van panklare
kalkoenen. Ik herinner me de vele versierde bomen en de ontelbare gekleurde lichtjes
die aan- en uitpinkten. In ons dorp wordt met Kerstmis niets versierd. Niet alleen
omdat een boomversiering een oud heidens gebruik is, maar ook omdat onze traditie
niet houdt van kleuren. Zelfs bij een huwelijk worden alle bloemen geweerd. En dat
terwijl ik zo van kleuren hou! Is een regenboog dan niet Gods werk?”
“Wat is je lievelingskleur?”, vroeg John en hij propte opnieuw zijn mond vol.
“Fuchsiarood”, zei ze dromend, “een mooiere kleur ken ik niet.” “Mijn ouders plaatsten
met kerst altijd een grote boom”, mompelde John al kauwend, “voor mezelf heb ik dat
werk nooit kunnen opbrengen, maar vandaag nog haal ik voor jou een grote boom, met
lichtjes, kerststal en heel de meute van stalbeeldjes.” “Je bent een lieverd, maar…
laat die stal en heiligenbeeldjes er maar af. Weliswaar wordt in onze gemeenschap
Exodus twintig vers vier, veel te eng geïnterpreteerd. Zo had mijn lievelingspop zelfs
geen gezicht, maar de heilige familie uitbeelden vind ik ongepast.”
“Heb je geld bij je?”, vroeg hij nadat ze gezegd had dat het haar gesmaakt had.
Bedeesd antwoordde ze ontkennend. “Niettegenstaande ik een flinke spaarpot had,
liet mijn geweten niet toe om geld mee te nemen.” Hierop schoof John twee briefjes
van vijftig dollar naar haar toe. “Omdat het overmorgen Kerstmis is, maar vooral
omdat jij het bent”, fluisterde hij lieflijk. “Maar neen!”, protesteerde ze. “Ik wil voor
mijn geld werken. Ik kan koken, boodschappen doen, typen en…” Met zijn beide
handpalmen drukte hij haar wangen samen, trok haar hoofd over tafel en gaf een
klinkende zoen op haar getuite mondje.
“Goed, ik zal je eens flink laten werken”, zei hij, en hij liet zachtjes haar hoofd los.
“Straks mag jij helemaal alleen de kerstboom opsieren.” “Alleen?”, merkte ze ietwat
ontgoocheld op. “Ik vrees van wel”, zuchtte hij, “die sneeuwval is een heuse
spelbreker. Heel het buitenwerkschema zal ik met mijn assistent moeten herzien.
Maar ik beloof je tussen kerst en nieuwjaar bij jou te zijn. Misschien kunnen we de
nieuwe winkelgalerij bezoeken, en andere plaatsen in het dorp waar ik lang niet meer
geweest ben. En oh ja, ik had je graag voorgesteld aan dominee Jefferson. Vaak kwam
hij hier op bezoek toen mijn ouders nog leefden. Hij is een doorgewinterde
bijbelkenner die zelfs de grootste spotters in Tony’s saloon op een adembenemende
wijze weet te boeien als hij aan het vertellen gaat. Maar nu moet ik gaan. Laat ons er
een goede gewoonte van maken om de voor- en keukendeur op slot te draaien, zowel
bij het binnenkomen als bij het buitengaan. Doe voor niemand open en als de telefoon
gaat, laat je die maar rinkelen.”
Opnieuw verscheen een glimlach op haar gezicht. “Toen ik hier als kind een winkelier
zag telefoneren, vroeg ik me af waarom ijskasten, lampen, stoommachines en
huisverwarming zowel op gas als op elektriciteit kunnen werken, maar een telefoon
niet. Jammer, want dan hadden ook wij zo’n ‘ding’ gehad en had ik van heel ver met
mijn vriendinnetjes kunnen spreken; misschien zelfs met God.”
“Nu stap ik echt op. Straks begin ik me ook nog rare vragen te stellen”, schaterde
John. Ondanks de onverwachte problemen op het werk, liep hij goed geluimd naar zijn
wagen op het almaar dikker wordende sneeuwtapijt.

*

Rond het middaguur werd Rebecca opgeschrikt door stemgeluiden. Zachtjes sloot ze
haar bijbel en liep op haar tenen naar het keukenraam, dat uitzicht gaf op de
achtertuin. Door een gordijn van sneeuwvlokken zag ze hoe onder Johns aanwijzingen
twee potige kerels met een spar kwamen aandragen.
“Niet zo vers meer, en zonder wortel, maar toch nog mooi”, zei John, die de sneeuw
van zijn laarzen stampte en de boom binnendroeg. Gefascineerd keek Rebecca toe,
hoe hij kreunend de boom optilde en met een klap de armdikke stam in een gelaste
kruisvormige sokkel liet vallen.
“Het was de laatste die hij in zijn hangar had liggen”, zei John hijgend, “geen hond wil
zo’n grote boom, en hij verliest al naalden zie ik.” “Oh, hij is mooi”, zei Rebecca op
een kinderlijke toon.
Met zijn koude handen nam hij haar hoofd beet, gaf haar enkele vlugge zoentjes, en
zei: “Ik moet opschieten. Nu blijkt er ook ergens een gaslek te zijn. Binnen een uurtje
ben ik terug. Vergeet niet alle deuren op slot te draaien.”
Opgewonden keek Rebecca naar de vele kerstboomversieringen die uitgespreid op
tafel lagen.

*

Net toen John meende dat de klus geklaard was, en hij reikhalzend uitkeek naar het
samenzijn met Rebecca, liep zijn assistent met grote passen naar hem toe. “John, de
sheriff vraagt naar jou”, hijgde hij en wees naar de politiewagen die een eind
verderop stond. John vouwde de blauwdruk op die hij in zijn handen had en begaf
zich naar de sheriff, die naast zijn wagen stond. Armzwaaiend maande hij John aan
om zich te haasten.
“Vlug, stap in”, riep hij zodra John zich binnen gehoorafstand bevond, “er is brand bij
je thuis uitgebroken. De brandweer is ter plaatse, meer weet ik ook niet.”
Zwijgzaam zat John naast de sheriff die plankgas gaf en met loeiende sirenes zijn
wagen de dorpskern instuurde. John staarde wezenloos voor zich uit. Beheerst
ademde hij in en uit, terwijl hij zijn gedachten in bedwang hield.
De verre aanblik van zijn huis en twee brandweerwagens, liet John toe om zijn
gedachten wat bewegingsruimte te geven. Hij merkte immers geen vuur en ook geen
rook op. Bovendien bleek de witgeverfde gevel ongeschonden en stond een groepje
brandweermannen met elkaar te praten.
“Waar is ze?”, riep hij in het wilde weg toen hij naar de ingetrapte deur liep. Met
neergeslagen ogen draaiden de brandweermannen hun hoofd naar iemand die onder een
wit laken lag. “Ze is gestikt door de zwarte rook van plastic kerstversieringen”, zei
de commandant, “ze kon geen kant meer op. Alle deuren waren op slot.”

Drie dagen later

“Hij is hier, op enkele passen links van jou”, fluisterde dominee Jefferson, “ik heb
hem verteld wat ik van jou moest zeggen.” Langzaam draaide John zijn hoofd en keek
in Amos’ gebroken ogen, waaruit een zoveelste traan rolde. Het herinnerde hem aan
die éne maal dat ze elkaar in de ogen hadden gekeken. Nooit had hij kunnen geloven
dat ze beiden om dezelfde verschrikking zo’n hartzeer zouden lijden.
Wezenloos staarde John in de fuchsiarode zee van bloeiende planten die hij de vorige
dag uit Zuid-Amerika had laten overvliegen, en die nu Rebecca’s kist bedekten.


(geplaatst op 07-03-2004)


FELICITATIES MET JOUW SCHRIJVERSDEBUUT

“Ach, ik heb me nooit illusies gemaakt”, zuchtte Jos ontgoocheld. Voor de vijfde maal
had hij zijn enige manuscript teruggekregen. Van zeven uitgevers had hij zelfs niets
meer gehoord.
“Fictie valt moeilijk te slijten”, had hij meermaals te horen gekregen. Wrokkig dacht
hij aan al die talentloze schrijvers wier enige verdienste erin bestond dat ze een
ophefmakende misdaad gepleegd hadden, of de fiscus voor miljarden hadden opgelicht.
En toch was Jos erin geslaagd om één bladzijde opmerkelijke non-fictie te schrijven.
Het was echter geen chronisch writer’s block dat hem ervan weerhield om verder te
schrijven. Inspiratie en fantasie had hij immers genoeg. Maar wat met fictie wel kan,
kan niet met waargebeurde verhalen. Over het verdere verloop van zijn non-fictie
verhaal had hij immers geen zeggingschap. Voor de zoveelste maal herlas hij die ene
bladzijde:
Op zijn sterfbed onthulde mijn neef Rik een opmerkelijke gebeurtenis. Vorig jaar, op
de avond van 10 december 1964, omstreeks 9 uur, was hij het huis van Jaap Schouw
binnengedrongen om te stelen.
Nauwelijks vijftien tellen later kwamen Jaap en zijn vrouw al ruziënd binnen. Snel
verborg Rik zich in het bezemhok. Door enkele kieren had hij zicht op heel de living.
De echtelijke ruzie mondde uit in een vechtpartij, waarbij de vrouw zich fel
verdedigde. Plots sloegen bij haar echtgenoot alle stoppen door. Met alles wat hij te
pakken kon krijgen, sloeg hij haar. Terwijl ze bewusteloos op de grond lag, duwde hij
met zijn duimen haar keel dicht.
Gedurende een korte tijd zat de moordenaar nadenkend en hijgend te bekomen van
zijn geleverde inspanningen. Langzaam richtte hij zich op en verdween uit Riks zicht.
Enkele ogenblikken later hoorde Rik de voordeur dichtslaan, gevolgd door het geluid
van barstend hout.
Teruggekomen in de living ontdeed hij zich van zijn gescheurde kleren, keek enkele
malen op zijn horloge en gaf met kam en brillantine opnieuw vorm aan zijn overhoop
gegooide kapsel.
Een laatste maal keek hij op zijn horloge. Alsof hij een startschot hoorde, greep hij
naar de telefoon, draaide het nummer 900 en schreeuwde bijna onverstaanbaar dat
hij net was thuisgekomen en zijn vrouw dood op de vloer lag.
Na deze act begaf hij zich naar de gang, waar hij de wc-deur opende. Het donderende
geluid dat zijn pissen in de toiletpot maakte, was voor Rik het teken om uit zijn
schuilplaats te komen. Via de achtertuin ontvluchtte hij het huis. Diezelfde avond
schreef Rik gedetailleerd op wat hij gezien en gehoord had.
De misdaad werd afgedaan als een onopgehelderde roofmoord. Jaap beweerde dat er
grote sommen geld en juwelen waren ontvreemd. Het parket ging ervan uit dat de
moordenaar door Jaaps vrouw verrast werd.
Zuchtend legde Jos de bladzijde naast zich neer. Meer dan eens had hij overwogen
om die getuigenis anoniem naar de politie te sturen, zonder zijn overleden neef Rik
bij naam te noemen. Hij meende dat, gezien de vele details, een grondig onderzoek zou
aantonen dat het hier om een waarheidsgetrouw verslag ging. Maar hoe meer hij er
over nadacht, hoe zinlozer het hem leek.
De schrijver van de anonieme brief zou men bestempelen als de moordenaar of zijn
medeplichtige. Geenszins zou het Jaap in verlegenheid brengen, integendeel. De brief
zou aangezien worden als een poging van de moordenaar of moordenaars om zichzelf
voorgoed veilig te stellen door de moord in Jaaps schoenen te schuiven.

*

De volgende dag nam Jos dan toch het besluit om het niet bij die ene bladzijde te
laten; Riks getuigenis mocht geen stille dood sterven.
Schoorvoetend begaf hij zich naar de stadsbibliotheek en viste alle krantenartikelen
op over de onopgehelderde moordzaak. Bovendien ging hij Jaap Schouws doen en laten
na, tot hij hem in zijn stamkroeg ’t Keteltje benaderde. Vrij vlug wist Jos het
vertrouwen van Jaap te winnen en zelfs zijn vaak geziene ‘vriend’ te worden.
Jos’ doel was duidelijk. Niettegenstaande hij er geen idee van had hoe het verder
moest, wilde hij Jaap per se ontmaskeren. De beweegreden achter die stoutmoedige
operatie sproot voort uit zijn ontembare verlangen om een ophefmakend boek op de
markt te brengen.

‘t Keteltje, november 1965

“Dat meen je niet; ik de zogezegde auteur van jouw thriller?”, reageerde Jaap met
hoongelach op Jos’ voorstel. “Dat je niet graag in de kijker staat en mensenschuw
bent, is me al langer bekend, maar dat je je zo fanatiek wilt afschermen van een
mogelijke naambekendheid, verbaast me. Trouwens, waarom koos je mij als eerste uit
om zo’n ongewoon voorstel te doen?”
“Als je nu wat minder luid spreekt, kan ik je daarop antwoorden, niet heel het
Keteltje moet het horen”, zei Jos terwijl hij spiedend rondkeek.
Opnieuw keek hij zijn drinkebroer indringend aan: “Zo ongewoon is die opzet niet; ik
ben er de uitvinder niet van, genoeg andere schrijvers hebben hetzelfde gedaan.
Luister, als het je niet interesseert, vergeet het dan. Ik dacht aan jou, omdat je hier
in de kroeg al vaker een overtuigende sketch hebt opgevoerd. Ik zou er als nieuwe
klant ook ingetrapt zijn, toen je je voorstelde als rechercheur; en hoe vaak heb je me
niet te grazen genomen met je ludieke grapjes?”
“Maar, ik ken niets van schrijven of van de schrijverswereld; ik val onmiddellijk door
de mand. En een boek lezen? Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit een boek heb
uitgelezen. Ik heb daar het geduld niet voor. Al dat oeverloos gezeik dat je moet
doornemen om te weten te komen wie wat misdaan heeft.” “Maar man toch!”, fluisterde
Jos, “tot op heden ken ik van dat bekakte wereldje niet veel meer dan jij. Kijk! Er is
niets onwettigs aan zo’n opzet, ik zou niet weten wat er mis mee is.”
Jaap nam enkele gulzige slokken van zijn biertje en maakte met zijn linkerhand een
wegwuivend gebaar: “Ach, geen hond zal geloven dat ik dat boek, hoe heet het ook
weer, geschreven heb. Sommigen hier zullen het er al moeilijk mee hebben om te
geloven dat jij schrijver bent geworden. Vreemd is wel dat je daar nooit iets over
verteld hebt.”
“Ik heb altijd gedroomd om te schrijven en om gelezen te worden. Nu ik met
vervroegd pensioen ben en bovendien mijn laatste jaar avondschool Frans beëindigd
heb, zwem ik in een zee van tijd. Maar bekend worden, en dan moeten verdragen dat
men me aangaapt. Of stel dat ik de hand moet schudden van zo’n idiote politicus?
Neen bedankt!”
“Allee, man, dat is toch tof”, veerde Jaap enthousiast op, “al die wijven achter je kont
en al dat geld. Weet je…” “Ja ‘t is al goed, droom maar verder”, onderbrak Jos hem,
“veel valt er in Vlaanderen met schrijven niet te verdienen, en voor die bekakte
trutten bedank ik feestelijk. Trouwens, vond jij het dan zo fantastisch om door
iedereen aangegaapt te worden, toen jouw levensgrote foto in de krant verscheen?”
Jaap veinsde geschrokken te zijn. Met neergeslagen ogen antwoordde hij: “Dat was
wat anders. Ik wist me geen houding te geven. Degenen die meenden dat ik schuldig
was, keken me aan met een vernietigende blik. Anderen hadden dan weer medelijden
en zagen me terecht aan voor iemand die dubbel moest lijden; mijn vrouw die ik voor
altijd moest missen en de onterechte verdenking dat ik haar vermoord heb.”
“Je hebt gelijk, Jaap. Het spijt me. Dat is inderdaad iets anders”, zuchtte Jos na een
korte stilte. “En er is nog iets waar je gelijk in hebt. Zoals je zelf zegt zou niemand
geloven dat je aan het schrijven bent, zelf lees je immers nooit een boek, en je kunt
geen woord foutloos schrijven. Wacht maar met aan hen te vertellen dat je zogezegd
verhalen schrijft, wacht tot je het boek kunt tonen.”
Jaap knikte welwillend. “En toch is het niet zó ongeloofwaardig”, zei Jos dan weer
enkele ogenblikken later, “ik ken weinig mensen met zo’n levendige fantasie, of beter
gezegd, fantasten die zo overtuigend kunnen liegen als jij.”
“Op je gemak hé!”, reageerde Jaap met een gespeelde boosheid, “maar goed, ik zal het
lezen, daarna zeg je me maar naar wie ik het manuscript met mijn naam erop moet
opsturen. Ik ben dus de zogezegde schrijver, en jij bent de corrector die mijn
teksten in leesbaar Nederlands uittypt.” “Juist! Maar één ding moet je me beloven:
zeg nooit tegen iemand dat ik die verhalen bedenk. En als je dan toch je mond
voorbijpraat, zal ik die bewering afdoen als je zoveelste verzinsel. Ik wil niet in de
belangstelling staan, laat dat duidelijk zijn. Dat laat ik liever aan anderen over.”
“Wel, wel, je meent het zeg”, antwoordde Jaap op een spottende toon.

De dag daarop in dezelfde kroeg

“Hoe lang kennen wij Jos nu al?”, vroeg Jaap met stille stem aan Tom. “Hij kwam hier
midden mei voor het eerst. Ongeveer een half jaar geleden. Waarom?”
Jaap schudde lichtjes zijn hoofd terwijl hij even zijn lippen op elkaar perste.
“Eigenlijk weten wij van hem heel weinig, vind je niet? Bijvoorbeeld, heb…” Toms
opengevallen mond en zijn verbaasde ogen deden Jaap verstommen. “Ik hoor het al, er
broeit wat. Komaan man, terzake, voor de dag ermee!”
Jaap schrok van zijn reactie en besefte dat dit niet de goede aanpak was. Hij
schudde zijn hoofd: “Er broeit niets, ik… ik vind het alleen spijtig dat we zo weinig
over elkaar weten.” “Niet iedereen zijn levensverhaal komt in de krant zoals dat van
jou”, grijnsde Tom, “maar één ding is zeker: je hebt me nieuwsgierig gemaakt. Is er
iets met Jos?” Jaap antwoordde niet. Hij hoopte dat Tom hun gesprek zo vlug
mogelijk zou vergeten.

Twee weken later ten huize van Jaap

“Ik heb je manuscript doorgeworsteld” zei Jaap, nadat hij een biertje had
ingeschonken. “En?”, vroeg Jos nieuwsgierig. “Was me dat zwoegen zeg”, zuchtte
Jaap, “dat laatste hoofdstuk moest ik herlezen voor ik begreep wie de dader was. Je
kent er wat van om iemand op het verkeerde been te zetten.” “Ha! Dat is de
bedoeling”, antwoordde Jos genoegzaam. Nu je het gelezen hebt, zal ik zeggen naar
welke uitgever je het moet opsturen. Er is echter een passage die ik met enkele zinnen
wat sterker wil inkleuren.”
Geschrokken keek Jaap Jos met grote ogen aan en riep ontzet: “Zeg nu niet dat ik
die turf nog eens moet lezen!” Jos lachte. “Die reactie had ik verwacht. Maar neen
slimoor, natuurlijk niet! Toch nu niet, misschien veel later, wie weet?”
Jos’ ogen dwaalden af naar de foto die aan de muur hing. “Mijn vrouw”, slikte Jaap
huichelend, “binnen twee weken is het een jaar geleden. Vijftien december… het zal
altijd een droevige verjaardag zijn. Ik mis ze nog elke dag.”
Na een korte, ingetogen stilte veerde Jaap plots op en zei: “Kom, laat ons over wat
vrolijkers praten. Ik heb een vraagje,… eigenlijk twee.” “Ik ben benieuwd”, zei Jos
geamuseerd. “Wel, stel dat jouw boek, dat eigenlijk mijn boek is, een groot succes
wordt, heb jij dan geen schrik dat ik…” “Dat jij met de winst gaat lopen? Tjonge,
tjonge, tjonge”, lachte Jaap terwijl hij met zijn hoofd schudde, “het boek wordt in
eigen beheer uitgegeven; naast de 50.000 Belgische frank die je van me krijgt, gaat
die publicatie me nog veel geld kosten.”
Jaap schonk voor Jos en zichzelf opnieuw een biertje in. “Bedankt, maar wanneer
komt die tweede vraag?” opperde Jos, en hij stouwde zijn mond vol met pindanootjes.
Op Jaaps gezicht verscheen een verbeten trek. Zonder Jos aan te kijken legde hij
zijn kin in zijn handpalm en liet zijn elleboog op zijn knie rusten. “Wel?”, mompelde
Jos bijna onverstaanbaar, komt er nog wat van?”
“Soms denk ik dat jij wat te verbergen hebt”, zei Jaap plots terwijl hij zich
rechtzette en Jos vragend aankeek. Snel slikte Jos zijn mond leeg en antwoordde
nijdig: “Van kinds af aan had ik er al een hekel aan om in de klas naar voren te komen.
Waarom wil jij nu per se iemand van mij maken die iets te verbergen heeft?” “Goed
dan,” antwoordde Jaap, geschrokken van Jos’ heftige reactie, “het zijn mijn zaken
niet; ik heb er niets mee te maken.

Drie maanden later in ‘t Keteltje

“Raar maar waar”, riep Jos hardop om de aandacht te trekken, terwijl hij het boek
bekeek dat Jaap hem in zijn handen had geduwd. “Hoe heb je dat heel die tijd kunnen
verzwijgen?  Felicitaties met jouw schrijversdebuut”, riep hij nog luider.
Jaaps foto op de achterzijde van de kaft overtuigde enkele omstanders, die eerst
dachten aan een flauwe grap, waarbij een boek getoond werd van een schrijver met
Jaaps naam.
Al gauw werd het boek het gespreksonderwerp van de avond. Genoegzaam stelde Jos
vast dat Jaap zijn rol voortreffelijk speelde. Hij maakte zich echter geen illusies.
Behalve de cafébaas was geen hond geïnteresseerd in het lezen van een boek, en zeker
niet in het kopen van een exemplaar.

Enkele dagen later op een politiekantoor

“Uitgeknipte krantenletters. Een smakeloze grap, of iemand die zijn boek wil
promoten?”, vroeg agent De Ruiter zich hardop af, terwijl hij het briefje bekeek.
Gisteren Ving ik het gerugT op dat Jaap Joosten in Beschonken toestand zou gezegt
hebben dat de moortpartij op blat 124 in zein boek ‘De bekentenis’, de getrauwe
weerGave is van de wijze waarrop hij zijn vrouw heeft omgebracht.
“Taalfouten bij de vleet, ietwat overdreven. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat
ze er opzettelijk ingelast werden”, merkte de officier van wacht op. “Kijk eens of we
iets over een Jaap Joosten kunnen vinden en maak een kopie van het briefje”, beval
hij zijn ondergeschikte. “Ga ook eens na of die man een boek heeft geschreven
voordat ik dit briefje naar het parket stuur. Ik zou me niet graag belachelijk maken.”

“Mijnheer Tromp? Jos Tromp?”, vroeg een van beide agenten die ’s morgens vroeg
aanbelden. “Kunnen we u even spreken?” “Zeker, komt u binnen”, antwoordde Jos
zichtbaar geschrokken.
“Neem er uw tijd voor, mijnheer Tromp. Het is waarschijnlijk niet zo’n gemakkelijk te
beantwoorden vraag. Kunt u zich herinneren waar u zich vorig jaar bevond op dinsdag
10 december tussen acht en tien uur ’s avonds?”
Een diepe plooi verscheen in Jos’ voorhoofd. “Ja natuurlijk!”, riep hij verblijd. “Tien
december was de laatste week voor het kerstverlof. Vorig jaar volgde ik
avondonderwijs Frans, van halfacht tot halfelf, de drie eerste dagen van de week. Ik
heb nooit één les gemist, het aanwezigheidsregister kan dat aantonen, maar… mag ik
vragen waarom jullie dat willen weten?”
Met een dank u wel, maar zonder te antwoorden, verlieten de agenten Jos’ huis. Met
een gelukzalige grijnslach keek Jos de wegrijdende combi na en balde zijn vuist.

*

De dag daarop keek Jos weinig verbaasd toen hij de kop van zijn ochtendkrant las:

MOORDSCENE IN ROMAN DOET SCHRIJVER MOORD BEKENNEN
Had de 50-jarige schrijver Jaap Joosten een gebrek aan inspiratie, of heeft hij de
speurders opzettelijk op het goede spoor gezet? In zijn debuutroman met de
passende naam ‘De bekentenis’, staat een moordscène die verbluffende gelijkenissen
vertoont met de wijze waarop zijn vrouw een jaar geleden werd omgebracht.
Wetsdokter Lauwers die destijds het lijkschouwingsrapport opmaakte, deed hierover
een opmerkelijke vaststelling: de vrouw werd met de in het boek beschreven
voorwerpen geslagen en daarna gewurgd. Op zich niets bijzonders, daar die gegevens
in alle kranten te lezen stonden. Wat echter verbaast, is de precisie waarmee de
slagen werden beschreven, en vooral de juiste chronologische weergave ervan. Zeker
niet te vergeten zijn de niet bekend gemaakte gruwelijke details, die alleen bij de
dader of een getuige gekend kunnen zijn (aldus dokter Lauwers).
Reeds aan het begin van zijn ondervraging ging de verdachte over tot bekentenissen.
Hij ervaarde de opheldering van de moord als een last die van zijn schouders viel.
Opgewonden had Jos zijn ogen in een te snelle vaart over het artikel laten glijden.
Toen hij het wilde herlezen, ging de telefoon. Aandachtig luisterde hij naar de vele
woorden van een luide mannenstem.
“Dus, vanuit juridische hoek kan niemand me een strobreed in de weg leggen? Bedankt
meester Jacobs, tot wederhoren.” Met een overwinningskreet hief Jos opnieuw zijn
gebalde vuist de hoogte in.

*

Het was de derde dag op rij dat Jos tot laat in de nacht achter zijn typemachine zat.
Van Jaap had hij een berouwvolle brief ontvangen, waarin stond dat hij geen wrok
koesterde, integendeel. Gelaten wilde hij zijn verdiende straf uitzitten.
Meer dan ooit geloofde Jos dat zijn non-fictie verhaal een voltreffer zou worden.
Hij kon zelfs op Jaaps medewerking rekenen. Maar voor wat hoort wat. Jaap vroeg
zich alsmaar af hoe Jos dit alles voor elkaar gekregen had.

Beste Jaap
Weet je nog Jaap toen ik je vertelde over die eerste bladzijde van mijn dagboek dat
niet zo goed vlotte? Hier heb je een kopietje. Inmiddels zijn er al heel wat
bladzijden toegevoegd. Aan uitgevers geen gebrek. Tot wederhoren.

Groetjes van Jos

(geplaatst op 14-02-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.