EEN KORT VERHAAL VAN LEO DUYM

Funeraire obsessies

Genre: detective

Zomer - 1980 - Antwerpen

Vanuit mijn klapstoel overzag ik met trots de zonovergoten tuin die ik voortaan de mijne
mocht noemen. Nu en dan werd de stilte verstoord door het plofgeluid van een overrijpe
appel die op het gras viel.
Neen, gedurende de maand die ik hier woonde, had het me nog geen ogenblik gespeten dat
ik dit huis gekocht had. Weliswaar moest ik nu wegens geldgebrek mijn verlofperiode
thuis doorbrengen, maar daar rouwde ik niet om. Dit stukje eigen grond kon immers niet
wedijveren met het meest idyllische plekje aan de Côte d’Azur. Bovendien had ik opnieuw
het plezier ontdekt van het turen door mijn sterrenkijker; een eenzame maar kosteloze
hobby.
Mijn enige buur was weduwe Donders. Haar achtertuin grensde aan die van mij,
afgebakend door een draadafsluiting met daarin een tuinpoort die niet op slot kon. De
eerste weken stoorde me haar ziekelijke nieuwsgierigheid, die tot uiting kwam in haar
voortdurende zoeken naar een aanleiding om me aan te spreken. Het was opvallend dat er
altijd in haar achtertuin getuinierd moest worden wanneer ze mijn kop zag. Maar
ongevraagd voet in mijn tuin zetten, deed ze gelukkig nooit.

*

Eigenlijk was het nu al te warm geworden om verder te werken, zeker om te spitten, maar
het vervullen van mijn grootste kinderdroom verdroeg geen uitstel. Koste wat kost moest
de vijver vandaag uitgegraven zijn. In de koelte van de volgende morgen kon ik dan
starten met het opscheppen van het uitgegraven zand.
Gelukkig had ik ervoor gekozen om de vijver midden in de tuin aan te leggen. De vijftien
meter die ik van Donders’ tuin verwijderd was, vormde een welgekomen barrière die me
soms toeliet om haar aanwezigheid zogezegd niet op te merken. Bovendien was het mens
hardhorig, wat haar ervan weerhield om me van ver aan te spreken, behalve als haar
nieuwsgierigheid groter was dan haar schroom. Ik moest dan immers roepen of tot bij
haar komen om me verstaanbaar te maken. Zelf had ze de neiging om hard te praten.
Drie meter lang, twee meter breed en anderhalve meter diep waren de beoogde
afmetingen. Nog twintig centimeter dieper en het zwaarste werk was achter de rug.
Zoals al vaker gebeurd was, stootte ik op iets hards. Aanvankelijk dacht ik aan een diepe
worteltak van de honderdjarige beukenboom die zo’n vijf meter verder stond. Het bleek
echter een been te zijn. Omzichtig schraapte ik wat omliggende grond weg, terwijl mijn
bange vermoeden sterker werd. Toen ook de voetbeenderen bloot kwamen te liggen, was
er geen twijfel meer mogelijk. Hier lag een skelet.
“En?”, schreeuwde een stem plots achter me, waarop ik verschrikt over mijn schouders
keek. “Oh, pardon, heb ik je laten schrikken?”, grinnikte mijn buurvrouw, terwijl ze haar
mond bedekte. “Ach, geeft niet”, zei ik met een geforceerde glimlach. “Ik was in
gedachten verzonken, en als men me dan plots aanspreekt, is dat soms wel even
schrikken.” “Zeg dat wel, je ziet zo bleek als een lijk.”
Met een plooi in haar voorhoofd staarde ze vragend naar de put waarin ik me tot mijn
middel bevond. Ze stond echter te ver weg om de bodem te kunnen zien. Ongetwijfeld
had mijn schrikken haar ziekelijke nieuwsgierigheid nog verder aangewakkerd. Meer dan
ooit was ik ervan overtuigd dat zelfs God niet in staat zou zijn om voor haar iets
verborgen te houden.
“Pff, het is nog maar half tien en het is al bloedheet”, zuchtte ik, waarna ik mijn handen
op het grasperk plaatste en me uit de put hees. Voor het eerst kwam haar aanwezigheid
me goed uit. “Heb jij de vorige bewoners gekend?”, vroeg ik langs mijn neus weg.
“De vorige bewoners? De vorige bewoner bedoel je? Zwijg me daar over. Hij huurde het
huis van de vorige eigenaar, mijnheer Tripkens. Twee jaar heeft die huurder daar
gewoond, maar op een zekere dag was hij opeens verdwenen. Het huis bleef daarna zo’n
vier jaar onbewoond tot jij het kocht. Maar waarom vraag je dat?” “Opeens verdwenen?
Weet je nog hoe hij heette?” vroeg ik zonder haar te antwoorden. “Zijn naam? Joeri,
maar zijn achternaam ben ik vergeten. Ik weet wel dat hij maandelijks de huur uit de
hand betaalde aan mevrouw Tripkens. Na haar overlijden ontving de vorig jaar overleden
mijnheer Tripkens de huurgelden.”
Ik zag dat haar ergernis toenam. Toch waagde ik het nog één vraagje te stellen. “Heb je
die man ooit in de tuin zien spitten?”, vroeg ik op een toon alsof het antwoord van weinig
belang was.
Even keek ze me nadenkend aan. “Neen, dat zou ik me zeker herinneren, behalve voor het
grasmaaien, zag ik hem nooit in de tuin.” “Misschien ben je al eens een dagje van huis
geweest en…” “ Van huis geweest, een dagje? Elke dag ga ik omstreeks tien uur ’s morgens
mijn boodschappen doen, behalve in het weekend, en vóór elf ben ik terug. Maar een
dagje van huis moet zo’n acht jaar geleden zijn. Een uitstapje met Halux, je weet wel, die
promotiereisjes met de bus. Toen woonden mijnheer en mevrouw Tripkens hier nog.
Maar… al zou ik een volledige dag van huis weg geweest zijn, die Joeri moet wel kunnen
toveren om de dag nadien geen sporen van zijn spitten achter te laten. Ik mag dan wel
halfdoof zijn, maar mijn ogen zijn nog als de beste.”
Ik beaamde haar opmerking met een geveinsd lachje. “Ach, ik tracht te vaak achter alles
iets te zoeken”, zei ik terwijl ik in haar ogen keek. Ik vermoedde echter dat ze doorhad
dat ik iets achterhield. “Allé dan, goede moed met je vijver. Ik ga nog vlug mijn patatten
schillen”, zuchtte ze kennelijk teleurgesteld. Van achter haar keukengordijn, zo’n
vijfenveertig meter verder, zag ik hoe ze me in het oog hield terwijl ik mijn gereedschap
en mijn rubberlaarzen afborstelde.
Op mijn terras trok ik mijn laarzen uit waarna ik me naar de huiskamer begaf en me in
mijn zetel liet vallen. Een flinke slok cognac deed me deugd. Even speelde ik met de
gedachte dat ik me misschien vergist had in wat ik meende gezien te hebben. Ik vroeg me
af of ik mogelijk een zonnesteek had opgelopen. Naar ’t schijnt zie je dan ook dingen die
er niet echt zijn.
Na mijn derde glas werd mijn geest rustiger. Ik ben van mening dat iedereen na zo’n
gruwelijke ontdekking de politie zou bellen, maar ook niet iedereen had zoals ik een
vriend die Jan heette, een man wiens speurderstalent het geniale oversteeg. De vaak
hooghartige toon waarmee hij me aansprak, alsook de somberheid die aan zijn ziel
kleefde, stoorden me niet langer. Mijn bewondering voor die tien jaar oudere psycholoog
en vakgenoot van me overstemde alles. Ik leerde hem kennen tijdens mijn stage in het
selectiebureau waarvan hij later directeur werd.
Meermaals was ik zijn assistent geweest bij zijn zoektochten. Na zijn eerste succesvol
speurderswerk waarbij hij een stel drugstrafikanten in de armen van de politie joeg,
noemde ik hem vaak Holmes, een bijnaam die aan betekenis won toen hij mij Watson ging
noemen. Tot aan zijn dood ben ik hem met die bijnaam blijven aanspreken.
Enkele minuten waren voldoende om via de telefoon mijn relaas uiteen te zetten. Alle
informatie die ik wilde aanbrengen maar die volgens hem niet terzake deed, wilde hij niet
horen.
Tien minuten later belde hij aan, en zoals gewoonlijk bij het begin van een nieuw
avontuur, lag er een mysterieuze en gewichtige uitdrukking op zijn gelaat. “We moeten
ons haasten, my dear Watson”, was het eerste wat hij zei. Met een strandschopje in zijn
hand liep hij met grote stappen de tuin in, trok een stel vliesdunne latexhandschoenen aan
en sprong als een lenige twintiger in de honderddertig centimeter diepe put.
In het huis van Donders was er geen beweging te zien. Toch was ik er niet gerust in of ze
werkelijk was gaan winkelen. Om haar nieuwsgierigheid te bevredigen was dat mens tot
alles in staat, zelfs om een eeuwenoude gewoonte een halt toe te roepen.
“De doodsoorzaak is overduidelijk”, zei Jan die een schedel optilde, wat me een koude
rilling bezorgde. Je hoefde geen dokter te zijn om vast te stellen dat het gapende gat
achteraan in de schedel er niet thuis hoorde.
Uit zijn broekzak haalde hij een plasticzak. Naarstig groef hij verder met zijn handen,
en één voor één stak hij alle beenderen in de zak. “Gelukkig”, fluisterde ik, “is alle vlees
vergaan en zijn er geen vieze geurtjes. Ik denk dat hij hier al lang ligt. Wellicht heeft
de natuur zijn werk snel kunnen doen, omdat hij naakt begraven werd.”
In plaats van een bevestigende reactie, verscheen op Jans mond die hooghartige glimlach
die hem kenmerkte. Ik had me er echter bij neergelegd dat hij al te zeer besefte een
geniaal iemand te zijn. Bovendien zag ik die hooghartige reactie als een beloftevol teken.
Ongetwijfeld had hij iets ontdekt. Hij schepte er echter een kinderlijk plezier in om mijn
nieuwsgierigheid op de proef te stellen.
“Wat nu?” vroeg ik hem nadat hij een glas cognac door zijn keel had gegoten en zichzelf
op een tweede glas getrakteerd had. Er kwam geen antwoord. Beiden staarden we vanuit
onze klapstoel naar de berg zand midden in de tuin. Het was windstil en met de minuut
werd het warmer. Het enige wat bewoog was Jans ronddraaiende hand die de inhoud van
zijn cognacglas tot aan de rand opzwiepte.
“Begraven worden in de tuin van het huis waar je woont”, merkte ik op in de hoop dat Jan
eindelijk iets zou zeggen. Een gegrinnik was zijn antwoord. Stilaan begon ik toch
pisnijdig te worden. “Die ‘hij’ is een ‘zij’ ”, antwoordde hij tot mijn verbazing. “Het
bekken, my dear Watson, het bekken.”
Dat men aan het bekken kon zien of een geraamte van een man of een vrouw was, wist ik
niet. Aannemelijk vond ik wel dat Jan aan de hand van het gebit kon zeggen dat het
slachtoffer een twintiger was.
“Ik kan me moeilijk voorstellen dat dader en slachtoffer elkaar kenden,” zei hij opnieuw
ernstig, “althans niet voor de buitenwereld. Het zou toch uitermate onverstandig zijn om
iemand die door iedereen gekend is als je vriend of kennis, in je tuin te begraven. Graag
had ik mevrouw Donders ondervraagd, maar we mogen geenszins haar fantasie
aanwakkeren.” “Wat had je dan willen vragen, en waarom ben je daar zo bezorgd over?”
“Watson, je moet me het nummer van jouw huismakelaar eens geven. Het zou jammer zijn
als onze ontdekking zou uitlekken. Mogelijk lopen we dan gevaar en ons leven zou wel
eens op dezelfde wijze kunnen eindigen als dat van die jonge vrouw.” Zoals gewoonlijk
kreeg ik een antwoord dat geen antwoord was, integendeel, ik had er een nieuwe vraag
bij. Bovendien had hij me de stuipen op het lijf gejaagd.
“Het spijt me dat ik niet concreter kan zijn, maar ik spreek vanuit mijn intuïtie”, zei hij
op een bezorgde en verontschuldigende toon. Ik kreeg de raad om mijn vijver verder uit
te graven en te doen alsof er niets gebeurd was. En meestal volgde ik die raad op, zeker
wanneer ik moeilijkheden verwachtte.
Terwijl Jan op het terras mijn fles cognac leegmaakte, schraapte ik onder een brandende
zon de laatste twintig centimeter grotendeels losgewoelde aarde af. Mijn gedachten
waren echter niet bij mijn werk. Ik was ervan overtuigd dat mijn buurvrouw die
zogenaamde Joeri in bescherming nam, en om haar verhaal wat geloofwaardiger te maken
schilderde ze hem af als onsympathiek.
Bij iedere schop aarde werd mijn geest belaagd door talloze vragen waarop ik een
antwoord zocht. Ik twijfelde er niet aan dat mevrouw Donders loog. Misschien was ze
medeplichtig, of misschien was het gewoonweg uit angst voor de moordenaar dat ze zich
niet herinnerde of er ooit in mijn tuin gespit werd?
Tijdens de korte werkpauzes die ik op het terras hield, bleef Jan zwijgzaam voor zich
uitstaren. “Hier! Kijk wat ik nog gevonden heb”, zei ik en ik legde wat naar mijn mening
een vingerkootje was op tafel. Blijkbaar was Jan ver weg met zijn gedachten. Met een
uitdrukkingsloze blik staarde hij enkele ogenblikken naar hetgeen ik had neergelegd.
“Ach, een vingerkootje. Dan heb ik me vergist. Ik dacht 206 beenderen te hebben
geteld; nou ja, om een beentje meer of minder zal niemand rouwen.”

*

Het was in de late namiddag dat ik aan de kuil de vorm had gegeven die ik voor ogen had.
Een korte tijd had Donders langs de afsluitdraad lopen ijsberen. Ik deed echter alsof ik
ze niet opgemerkt had.
Opmerkelijk was dat ik Jan al langer dan een uur niet meer op het terras had gezien.
Toen ik hem opnieuw zag, vroeg ik wat hij heel die tijd uitgespookt had. “Ik ben op je
zolder geweest”, zei hij met een lichte grijnslach. “Het ligt daar vol met spullen van
Tripkens, waaronder dit fotoalbum; gevonden in een schuif. Tripkens’ huurder stoorde er
zich blijkbaar niet aan dat die ruimte dienst deed als opslagplaats voor huisraad die zijn
huisbaas niet mee naar het rustoord mocht nemen.” “En ik stemde erin toe dat mijn
makelaar alles liet staan. Alle meubels laten weghalen zou hem meer gekost hebben dan
dat ze op de veiling zouden opbrengen. Ik hoop er een deel van te kunnen gebruiken.”
“Dit zal je alvast kunnen gebruiken”, gniffelde Jan en hij duwde een foto onder mijn
neus. Met open mond nam ik ze uit zijn hand. Het was een gezicht van mijn tuin met
middenin een groot tuinhuis, precies op de plek waar ik de vijver gegraven had.
“Maar dan heeft hij zijn slachtoffer ongezien kunnen begraven in dat…” “Inderdaad, de
rugzijde van het tuinhuis stond aan Donders’ kant. Bovendien is het mens halfdoof en kon
zij van de zachte geluiden die zo’n werk voortbrengt niets gehoord hebben.
“Maar,” vroeg ik na een flinke slok cognac, “waarom heeft Donkers me dat nooit gezegd?”
“Je hebt er ook nooit naar gevraagd”, lachte Jan. “Misschien heeft ze dat wel willen
opmerken, of misschien heeft ze dat zelfs gezegd, maar als ik je zo over haar hoor
klappen heb ik de indruk dat je slechts naar haar luisterde nadat je haar iets gevraagd
had.”
Misnoegd keek ik de tuin in. “Had jij Donders dan willen vragen of er op die plek iets
had gestaan?” “Indeed, my dear Watson, maar ik heb mijn vraag aan jouw makelaar
gesteld. Zoals je weet is het huis vier jaar onbewoond geweest. Midden in de tuin stond
een tuinhuisje, zeg maar tuinhuis. Maar na een storm tijdens dat tweede jaar was het
bouwsel in zo’n slechte staat dat het moest worden afgebroken. Nogmaals, we moeten
verhinderen dat Donkers aan iedereen gaat vertellen dat er in de tuin van haar overbuur
vreemde dingen in de grond te vinden zijn.”
Voor het ging donkeren, was Jan vertrokken. Angstvallig had ik erop toegezien dat hij de
naar schatting twaalf kilo wegende zak beenderen niet in mijn garage zou achterlaten.
Mijn uitnodiging om morgenmiddag op het terras een hapje te eten, had hij niet
afgeslagen. Evenals ik was hij vrijgezel, maar in tegenstelling tot mezelf, is hij er nooit in
geslaagd om een ei te bakken zonder dat het merendeel in de pan bleef kleven.

*

De volgende dag was ik rond de middag klaar met het opscheppen van zo’n zeven à acht
kubieke uitgegraven zand. Bijna honderd volle kruiwagens had ik tussen de struiken
uitgekieperd. Ik had net een rol folie van zijn verpakking ontdaan, of mijn buurvrouw
liet zich in haar achtertuin opmerken.
“Goedemiddag, mevrouw Donders”, riep ik met een stralende glimlach. “Goedemiddag”,
antwoordde ze verbaasd over zoveel vriendelijkheid.
“Pff, ik had gisteren mijn dagje niet”, zei ik terwijl ik naar het poortje toestapte en haar
uitnodigde om een blik in de kuil te werpen. Haar reactie deed me denken aan een kind
dat een ijsje kreeg. Met grote passen stapte ze naar de put.
“Goh! Hier kan wel een visje in”, merkte ze op, waarna ze stilzwijgend elke vierkante
centimeter met haar ogen aftastte. Ik zag dat ik haar had gerustgesteld. Uitvoerig legde
ik de volgende stappen uit, en alsof ik een kenner was, vertelde ik met veel woorden over
het weinige dat ik tot hiertoe over vissen gelezen had. Ik rondde mijn monoloog af door
te zeggen dat ik elk ogenblik een hongerige maag verwachtte.

*

Aangenaam gezelschap kon ik Jan moeilijk noemen. Vaak stak hij zijn mond vol, terwijl hij
naar de terrasstenen keek alsof daar iets op te lezen stond. Een compliment over mijn
kookkunst hoefde ik niet te verwachten. Ik prees me echter gelukkig toen hij na tien
minuten zonder aanleiding de stilte verbrak. “Zij werd niet enkel in het tuinhuis
begraven, maar volgens mij werd ze er ook vermoord, wat een aanwijzing kan zijn dat ze
haar moordenaar uit vrije wil gevolgd is.”
Ik had geleerd om met Jans opmerking nooit meer te spotten, toch waagde ik het om
voorzichtig te reageren. “Heb je dat uit die beenderen kunnen opmaken?” zei ik
glimlachend. “Lach maar, het is immers mijn fout, ik heb nagelaten te zeggen wat ik op
jouw zolder bovenop die foto’s nog gevonden heb.” Om het gewicht van wat hij ging
zeggen te onderlijnen, at hij zonder een woord te zeggen zijn mond langzaam leeg.
“Wellicht heb je die vezelplaat zien staan? Ik weet niet of je de zijde al bekeken hebt
die tegen de muur leunt? De omtrekslijnen van allerlei handgereedschappen staan erop
afgetekend, van snoeischaren tot verfborstels. Ongetwijfeld hing dat bord in het
tuinhok. Alle gereedschappen heb ik in een zolderkast teruggevonden, op één ding na.”
“En dat is?” vroeg ik nieuwsgierig. “Een verfpikhamer, my dear Watson, een
verfpikhamer waarvan er miljoenen gemaakt zijn. Als je de dikte van de omtrekslijnen
niet meetelt, dat bekom je een botte pen die precies in het schedelgat past.”
Reacties als ‘knap gevonden of dat heb je goed gedaan’ gaf ik al lang niet meer. Ik wist
dat hij ze meestal als kleinerend opvatte. Voorzichtig spande ik me in om een zinnige
opmerking te maken. “Voor een daderprofiel… wat weinig gegevens, niet?” Met
samengeperste lippen schudde Jan zijn hoofd. “Ik weet het niet. Zoals ik al zei, volgens
mij kende het slachtoffer haar moordenaar niet, maar toch is ze hem vrijwillig naar het
tuinhok gevolgd. Maar wat me het meest bezighoudt, is de wijze waarop ze begraven
werd. Meerdere uren is er hard gewerkt om die langwerpige kuil van anderhalve meter
diep te graven, en zonder kleren en zonder enig sieraad werd het lichaam op de buikzijde
gelegd.”
“Wel gek”, merkte ik op. “Zoveel inspanningen doen opdat het lijk niet zou gevonden
worden. Ik dacht dat er minder arbeidsintensieve middelen waren om iemand te doen
verdwijnen.” “Indeed, my dear Watson, indeed, maar misschien had de dader een heel
andere doelstelling. Ach, ik neem enkele dagen vrijaf. Mijn ondergeschikten kunnen
zonder mij ook verder. Jij hebt nog twee weken vakantie als ik me niet vergis?”
Misnoegd om dit ‘verhelderende’ antwoord at ik zonder hem aan te kijken mijn bord leeg.
“Vind je het goed dat ik hier blijf overnachten? Ik breng wel beddengoed mee”, zei hij na
een korte stilte. “Mij best, kamers en matrassen genoeg”, mompelde ik ietwat
onverschillig. “Goed, dan stap ik maar eens op, want ik heb nog veel werk”, zei hij op een
gewichtige toon.

*

Toen Jan ’s avonds aanbelde, was het al aan het donkeren. Ik had nog net voldoende
energie om hem zijn kamer aan te wijzen, waarna ik me naar mijn slaapkamer begaf.
Vrijwel onmiddellijk viel ik in slaap.

*

Omstreeks twee uur ’s nachts werd ik gewekt door geluiden op zolder. Scherp luisterde
ik naar de voorzichtige voetstappen en naar het gekraak van de plankenvloer. Mijn hart
klopte in mijn keel toen ik de lade van mijn nachtkastje opentrok en mijn 6 mm pistool
nam.
Met mijn wapen in aanslag sloop ik de zoldertrap op. Met een schreeuw duwde ik de
zolderdeur open. Struikelend over mijn woorden riep ik doodsbang: ‘geen halt... beweging!’
“Ik heb je naar boven horen sluipen”, zei Jan die op een stoel zat en me glimlachend
aankeek. “Jan! In godsnaam,” schreeuwde ik woedend, “ik schrik me een ongeluk.” “Sorry,
ik heb mijn best gedaan om je niet te storen, maar aan het protest van deze vloer valt
niet te ontkomen”, zei hij grinnikend.
Langzaam liet ik mijn wapen zakken. Twee onrustige kaarsvlammen wierpen een geel licht
op Jans gelaat en op het boek dat hij in zijn handen hield. Het viel me onmiddellijk op
dat de kaarsen zilverkleurig waren. Ook snoof ik een niet onaangename geur van wierook
op.
“Ik kon de slaap niet vatten. Jouw akelige ontdekking gisteren deed me denken aan een
jongen van zestien wiens beenderen vorig jaar in het Antwerpse opgegraven werden na
een anonieme tip. In de bibliotheek heb ik gisterennamiddag alle krantenarchieven over
die onopgeloste moord nagevlooid. De doodsoorzaak werd nooit vastgesteld. Zijn
geraamte werd gevonden in de tuin van een huurhuis waar enkele jaren daarvoor iemand
woonde die opeens niet meer kwam opdagen. Maar er zijn nog overeenkomsten: de jongen
is op de buikzijde begraven en de huurder betaalde maandelijks zijn huur uit de hand, en
wel zoals later bleek, onder een valse naam. Een robotfoto werd gemaakt, maar dat heeft
nooit iets opgeleverd. Het enige dat met zekerheid van hem geweten is, is dat hij een gele
cirkelvormige tatoeage op zijn borst heeft staan. Wat er afgebeeld staat, kon zijn
huisbaas niet uitmaken in die halve seconde dat hij die man zijn hemd per ongeluk zag
openstaan. En tot slot: de tuin waarin de jongen begraven werd, had weliswaar geen
tuinhuis, maar dat was wellicht niet nodig. Ik ben er langs gereden; een alleenstaand huis
zonder directe buren!”
Geruisloos nam ik één van de vele stoelen die her en der rondslingerden, waarna ik me
naast Jan zette die roerloos in de vlam van de dichtstbijzijnde kaars staarde.
“Hebben we dan met een seriemoordenaar te maken?” vroeg ik verbaasd. “Precies
Watson, een seriemoordenaar, zonder twijfel een seriemoordenaar.” “Maar”, opperde ik
ongelovig, “in Vlaanderen is er al meerdere decennia niet éénmaal over een
seriemoordenaar gesproken?”
Met een hooghartige glimlach keek Jan naar de dansende kaarsvlam. “Precies daarom
voelt die man zich ongenaakbaar. Maar wat wil je? Weliswaar zijn er de laatste vijf jaar
opvallend meer mensen in Antwerpen en randgemeenten verdwenen, maar behalve van die
jongen weet men niets over hun lot. Bovendien verdwenen er kinderen, ouderlingen, en
vrouwen. Zoiets doet niet onmiddellijk aan een seriemoordenaar denken, maar onmogelijk
is het niet. Kijk maar!”
Met een uitgestreken gezicht toonde hij me de omslag van het boek dat op zijn schoot
lag. ‘De Vosstock Ripper’, las ik als titel in het flikkerende kaarslicht. “Maar wat is
dan….?” “Zijn motivatie? In zoverre je bij zo’n verziekte geest van motivatie kunt
spreken. Onze man kent blijkbaar alleen maar rust als er een lijk in zijn tuin ligt. De
kaarsen en het wierook vond ik in een schuif, samen met het kasticket, daterend van
maart 1975. Toen woonde die zogenaamde Joeri hier nog.”
“En wat ben je nu van plan?” vroeg ik na enkele minuten stille bezinning. “Ik ga nu ook
maar slapen. Ik ben benieuwd of er straks een krant zal zijn waar mijn advertentie al in
staat.” Wat Jan bedoelde, interesseerde me op dat ogenblik niet. Zonder verder na
denken liep ik terug naar mijn slaapkamer en viel opnieuw in een diepe slaap.

*

Jan was zoals altijd vroeg op, of hij nu goed geslapen had of niet. Koken kon hij niet,
maar koffiezetten en alles voor het ontbijt klaarzetten, deed niemand beter.
Tijdens het ontbijt bladerde hij door een van de vier kranten die hij gekocht had. “Hier
staat het, luister”, zei hij opeens:

Mortsel. Alleenstaand huis met tuin te huur. Huidige bewoner is eigenaar die een kleinere
woonst zoekt. Onmiddellijk beschikbaar, mogelijkheid om huurgeld uit de hand te
betalen. Kortdurend contract. Te bezichtigen tussen 7 en 8 uur ’s avonds. Telefonisch
afspreken tussen 12 en 2 via nummer 448 25 48.

“Jezus! Wat ben jij in hemelsnaam van plan?” opperde ik. “Luister,” antwoordde hij, “mijn
huis voldoet aan Joeries voorwaarden. Een tuinhuis mag hij altijd zelf plaatsen, maar ik
geloof dat zo’n constructie ook in mijn tuin niet nodig is. Je weet dat mijn naaste buur zo’
n vierhonderd meter verderop woont.”
“Je wilt die man naar je lokken, maar… je kan toch niet elke kandidaat zijn gangen
nagaan?” “Voorselectie, my dear Watson, voorselectie. Enkel met iemand die zegt alleen
te zijn en die er geen bezwaar tegen heeft om zijn huur uit de hand te betalen, maak ik
een afspraak. De overigen wimpel ik af met een smoes.”
“Maar denk je nu echt dat de moordenaar zo naïef zal zijn om in die val te trappen? En
waarom zou een huisbaas adverteren dat zijn huurder eventueel uit de hand mag betalen?”
Jan schudde glimlachend zij hoofd. “Een val zeg je? Nogmaals: niemand is op zoek naar
een seriemoordenaar. Neen, ik reken niet op zijn naïviteit, maar op zijn overmoed. Vroeg
of laat lopen de meeste seriemoordenaars tegen de lamp omdat ze te grote risico’s nemen.
Wat je tweede vraag betreft: veel huisbazen die meer dan één eigendom hebben, zouden
maar al te graag hun huur uit de hand ontvangen, een kwestie van belastingontduiking.
Uiteraard loopt hij met zo’n advertentie een risico, maar niet meer of minder dan de vele
zwartwerkers die via de krant hun diensten aanbieden. De huurder zelf kan niets
verweten worden, maar wees gerust, de fiscus zal me niet te pakken krijgen. Nog geen
uur lang zal iemand in mijn huis komen wonen.”

*

Zoals Jan voorspeld had, had hij na drie dagen veel reacties gekregen op zijn
advertentie die in alle Nederlandstalige kranten te lezen stond. Maar de enige kandidaat-
huurder die zei alleen in het huis te willen wonen, stond erop om zijn huur via een
bestendige opdracht te betalen.
Meerdere dagen gingen voorbij zonder noemenswaardige gebeurtenissen. De afwerking
van mijn vijver schoot goed op: pompen, filters en waterplanten werden geïnstalleerd, en
bij wijze van proef zette ik een dozijn goedkope goudvissen uit.

Woensdag

“Jezus!”, riep ik geschrokken toen Jan die woensdagavond thuis kwam. “Wat is jou
overkomen?” De zonnebril die hij droeg, kon de blauwe kring rond zijn oog niet
verdoezelen. “Morgenmiddag om 12.30 uur heb ik een afspraak met opnieuw iemand die
als dader in aanmerking komt. Aan zijn dialect te horen duidelijk een Antwerpenaar,
maar ditmaal trek ik niemands hemd meer van zijn lijf. Geen tatoeage, helemaal niets. Ik
mag van geluk spreken dat hij de politie er niet bijhaalde en ik hem met een briefje van
duizend kon paaien.”
Ik durfde niet te lachen, maar vroeg: “Vanwaar die openhartigheid over een begane
vergissing?” “Omdat je me morgen zult moeten helpen”, antwoordde hij kortaf. “Wanneer
die nieuwe verdachte morgenmiddag mijn huis verlaat moet je hem met je auto volgen. Ik
wil weten waar hij woont.” Met gemengde gevoelens stemde ik toe.

Donderdag

Precies om 12.30 uur belde een langharige man met baard bij Jan aan. In mijn auto
wachtte ik geduldig tot hij buitenkwam. Met veel goede wil leek hij op de robotfoto
waarvan ik een kopie in mijn hand hield. Het viel me op dat zijn gang niet soepel was en ik
had de indruk dat hij met zijn linkerbeen sleepte.
Een achtervolging bracht me tot in het bosrijke Schilde. Toen hij voor een bescheiden
villa halt hield, reed ik zonder te vertragen verder. Ik waagde het niet om nogmaals
voorbij de woning te rijden. Ik had het gevoel dat hij me had opgemerkt, bovendien vroeg
ik me af of het zijn woonst wel was. Misschien had hij halt gehouden om me van zich af te
schudden?
Vanuit een dorpscafé belde ik Jan. Een halfuur later hoorde ik zijn claxonsignaal,
waarop ik het café verliet en in zijn auto stapte. Groot was mijn opluchting toen ik die
man zijn wagen zag staan.
Het bos dat aan de overkant van de straat lag, leek ons een ideale plaats om op uitkijk te
staan en tot de hemel te bidden dat die man, om welke reden ook, zijn woonst zou
verlaten, al was het maar heel even. We hadden ons zo diep in het bos teruggetrokken
dat we nauwelijks zicht hadden op zijn auto en voordeur.
Ons geduld werd beloond. Na vier lange uren rondjes lopen, zagen we hem wegrijden.
Hoewel we snel moesten handelen - hij kon immers vlug terugkeren - voelde ik me toch
ontspannen. Er waren immers geen naaste buren en meer dan waarschijnlijk was de
woonst verlaten. Jan wilde daar echter voor 100% zeker van zijn en hij vroeg me aan te
bellen, terwijl hij zich tegen de zijgevel schuil hield. Indien iemand de deur zou openen
dan zou ik de weg naar het café Zomerzon vragen, de plaats van waar ik gebeld had.
“Kom!”, beval Jan toen ik voor een tweede maal aanbelde. “Ik heb door de ramen gekeken,
er is niemand thuis. Volg me naar de tuin!”
Onmiddellijk viel de grote tent op die centraal in de tuin opgespannen stond. Ze was
vervaardigd uit een nooit geziene zilverkleurige zeildoek. Langzaam trok Jan de
ritssluiting open waarmee de ingang afgesloten was. Hoewel ik geen angst had, bereidde
ik me voor op de meest gruwelijke dingen.
Nadat Jan een stap had binnengezet, moest ik beide tentflappen openhouden om
voldoende licht te laten binnenvallen. Vóór Jans voeten lag een gapende kuil, omzoomd
door opgehoopt zand. “Leeg!”, zei hij opgelucht, en enkele ogenblikken later stapten we
terug naar zijn auto.
“Ik begrijp het niet”, zei ik tijdens de korte rit naar café Zomerzon, waar mijn auto
stond. “Die man gaat binnen enkele dagen verhuizen; hij gaat na zijn vertrek toch wel een
bijzonder verdacht spoor achterlaten. Trouwens, welke huisbaas gaat akkoord met zo’n
ravage aan zijn gazon?” “Tenzij hij daar helemaal niet weggaat”, merkte Jan glimlachend
op. “Het zou me niet verwonderen dat hij meerdere huizen huurt. Maar één ding is zeker:
die kuil is er voor een volgend slachtoffer. Maar wie weet wanneer de moordenaar
opnieuw zal toeslaan?”
Ik volgde Jan met mijn auto. Gelijktijdig arriveerden we voor mijn deur.

*

Negen uur. De zon was net ondergegaan en het begon lichtjes te schemeren. De slaschotel
die ik bereid had, scheen Jan te smaken.
“Wanneer wil die man opnieuw toeslaan?”, vroeg hij opnieuw zonder me aan te kijken. “Ja,
wanneer?”, antwoordde ik, “dat staat in de sterren geschreven. Misschien werkt die kerel
wel volgens een bepaald tijdspatroon?”
Mijn woorden deden Jan van zijn stoel opveren. Terwijl hij zijn mond leeg at, liep hij
naar de kalender die in de huiskamer aan de muur hing. “Precies wat ik dacht”, hoorde ik
hem luidop en ontzet zeggen.
“Watson, zeg me nu niet dat je tijdens je verhuis al je oude kalenders hebt
weggesmeten?” “Weggesmeten? Kalenders van sterrenwacht Uranus? Natuurlijk niet,
maar waarom? Wat is ermee?”, vroeg ik geschrokken.
Zonder op zijn antwoord te wachten, haalde ik zo’n tien kalenders uit een schuif. Ze
lagen netjes op volgorde volgens jaartal; van 1970 tot en met 1979.
Opgewonden en veel te ruw naar mijn zin, zocht Jan in de kalenders naar de datums die
hij op een lijstje had staan. “Dít,” schreeuwde Jan terwijl alle bloed uit zijn gezicht
wegtrok, “dit kan geen toeval meer zijn! Kom met me mee. We gaan die kerel een
verrassingsbezoekje brengen. Neem je pistool mee, er is een leven in gevaar.”

*

Gespannen zat Jan achter het stuur. Dieper dan anders duwde hij het gaspedaal in.
Herhaaldelijk vroeg ik om uit te leggen wat er precies aan de hand was. “Later”,
antwoordde hij dan verstoord.
Ditmaal stopten we pal voor het huis. Langs de zijgevel renden we de tuin in. Het felle
maanlicht maakte een zaklantaarn overbodig. Met mijn pistool in zijn hand liep Jan
lijnrecht naar de tent, die in het maanlicht de aanblik bood van een ruimteschip.
Halverwege de tuin hield ik op Jans teken halt, terwijl hij naar de tentingang liep en de
flap aan de ingang optilde. “Geen beweging”, schreeuwde hij, terwijl hij het pistool naar
binnen richtte. Een rosse gloed van bewegend licht viel op Jans voorzijde en op het
gazon tekende zich een dansende schaduw af.
De angstige trek op zijn gezicht veranderde in één van verbazing. Langzaam liet hij zijn
pistool zakken en wenkte me met zijn hand.
“Watson, we komen nog op tijd. Gezien haar levendige reactie meen ik dat ze ongedeerd
is.” In de kuil die voor ons lag, zat een aan handen en voeten gebonden jonge vrouw met
een klever op haar mond. In de zandhoop links en rechts brandden zes zilverkleurige
kaarsen, twaalf in totaal. “Maak haar los Watson, ik ga kijken waar die gek uithangt.”
Nauwelijks had ik beide knopen losgemaakt of een schot, gevolgd door glasgerinkel, deed
me opschrikken. Onmiddellijk volgde een tweede schot dat veel luider klonk en
ontegensprekelijk buiten werd afgevuurd.
“Holmes!” riep ik ontzet. Zonder me bewust te zijn van enig gevaar, liet ik het meisje bij
de tent gillend achter en rende naar de plaats waar ik Jan levend hoopte aan te treffen.
“Hij is geraakt”, riep Jan en rukte het in brand geschoten gordijn af om er een strook af
te scheuren en ze rond zijn hand te wikkelen. Met enkele stoten bokste hij de resterende
glasscherven uit het raam.
“Breng dat meisje naar de auto en kalmeer haar wat”, beval Jan die door het raam de
woonkamer binnenklauterde. In een wijde boog om het huis liep ik met het meisje naar de
auto. Ik schatte ze een jaar of twintig. Snikkend vertelde ze me dat ze niet begreep wat
er gaande was. “Hij was zo lief,”, zei ze “ik… ik dacht eerst dat het een spelletje was.”
Ik slaagde erin om haar te kalmeren en vroeg haar in de auto te blijven wachten.
“Watson!” riep Jan die door het stukgeschoten raam hing en me wenkte. “Kruip gerust
naar binnen. Aan de bloedsporen te zien is hij de trappen op gevlucht.”
Nauwelijks had ik een voet in de woonkamer gezet of we hoorden een schot. “Dat kwam
van boven” zei Jan. Met het pistool voor zich uit liep hij de trappen op en beval me
beneden te blijven. Even bleef het stil tot hij over de balustrade van de overloop kwam
hangen. “Bel een ziekenwagen. Hij heeft zich in zijn slaap geschoten. Hij leeft nog, maar
hij kan geen poot meer bewegen.”
Nadat ik het nummer van de hulpdienst 900 had gedraaid, liep ik de trap op. In een hoek
van zijn slaapkamer zat de moordenaar ineengedoken, zijn benen voor zich uitgestrekt.
Onder zijn linkerbeen vormde zich een plas bloed. “Ik ben slordig geweest”, zei hij zacht
en met een vredige uitstraling op zijn gezicht. “Waarom toch, waarom?”, vroeg Jan die
een zakdoek bovenhaalde en vooroverboog om het bloed weg te kunnen vegen dat nu ook
uit de man zijn mond lekte. Als antwoord verscheen er een brede glimlach op zijn half
openstaande mond. Het spreken leek hem opeens moeilijker. Langzaam draaide hij zijn
ogen naar zijn linkerhand. Pas nu merkten we dat hij zijn linkerpink miste. “Ook mijn
oor”, fluisterde hij.
Met een zachte beweging duwde Jan een pak haar opzij. Het bovenste deel van de man
zijn rechteroor ontbrak. “Dat heb je goed weten te verbergen,” zei Jan, “ bij mij thuis
heb ik dat niet opgemerkt.” “Mijn pink heb ik nooit gemist, maar wel veel warmte”, zei de
man met een droefgeestige blik, terwijl zijn keel gorgelende geluiden voortbracht.
“Hoe is je naam?”, vroeg Jan. “Ik…,” prevelde hij terwijl het leven zienderogen uit zijn
lijf vliedde, “ik…” Onder het uitstoten van een keelklank boog hij zijn hoofd voorover en
liet zijn kin op zijn borst vallen.
“Die is dood”, zuchtte Jan waarop hij de man zijn jas aftastte en een portefeuille
bovenhaalde. Nieuwsgierig wierp ik een blik op de identiteitskaart die Jan vasthield.
“Zijn officiële adres blijkt in Oostende te zijn,” merkte Jan op, “ver weg van de plaats
waar de speurders hem zouden zoeken.”
Even later arriveerden twee ziekenwagens.

Vrijdag

Het ontbijt verliep in een bedrukte sfeer. “Tien uur was de afspraak en mijn voortuin
staat nu al vol journalisten”, sakkerde ik tegen Jan,. “Eigen schuld, dikke bult. Waarom
heb je beloofd een persconferentie te geven? Ik vertrek langs de achtertuin.” “Hoe..?”
protesteerde ik verontwaardigd. “Je ging toch akkoord met…” “Ik ga maar eens naar een
kennis die directeur is op de Commissie van Openbare Onderstand in Antwerpen (huidige
OCMW). Misschien kom ik meer te weten. Maak jij die journalisten maar wat wijzer.”

*

Enkele ogenblikken nadat de laatste pershaai omstreeks het middaguur verdwenen was,
kwam Jan aangewandeld. Ik durf te wedden dat hij op uitkijk had gestaan. Ik voelde me
door hem in de steek gelaten. Herhaaldelijk had ik vragen gekregen waarop ik geen zinnig
antwoord kon geven. Vooral op de vraag hoe we wisten dat de moordenaar gisterenavond
zou toeslaan, moest ik tot mijn schande het antwoord schuldig blijven.
“Ik hoop dat ik nu wel een woordje uitleg krijg”, beet ik hem pisnijdig toe. Mijn boosheid
verminderde toen ik op zijn gelaat een nooit geziene grauwheid en verslagenheid zag, wat
bij mij een bijkomende vraag deed rijzen.
Minder dwingend dan ik me had voorgenomen, vroeg ik hem uit te leggen hoe mijn woorden
hem op het goede spoor hadden gezet.
“Ach ja,” antwoordde hij wat afwezig, “het intrigeerde me dat deze seriemoordenaar geen
voorkeur had voor leeftijd en geslacht, iets wat zelden voorkomt. Ik was ervan overtuigd
dat hij zijn slachtoffers niet zag als seksuele objecten, hoewel hij na de moord
waarschijnlijk masturbeerde. Ik zocht naar die ene constante, wat echter nog niets zegt
over de uiteindelijke drijfveer. De Vosstok Ripper doodde geen weerbare mannen, dat
was te riskant. Zijn constante bestond erin om de ogen van een levend slachtoffer uit te
snijden, wat een wanhopige poging was om zijn jeugdtrauma’s te verwerken. Ik merkte
dat deze moordenaar geobsedeerd was door alles wat met de maan verband hield. Tijdens
ons eerste bezoek zag ik door zijn raam maanposters aan de muur hangen, en binnen lagen
op de vensterbank boeken over de maanlanding. Merkwaardig was ook zijn voorkeur voor
al wat zilverkleurig was. De alchemisten hadden voor de maan en voor zilver hetzelfde
symbool. Jouw opmerking over een mogelijk tijdspatroon van de moordenaar deed me
letterlijk opveren. Op jouw kalenders zag ik dat alle verdwijningen gebeurden op een
dag dat het volle maan was. Ik kon me natuurlijk een maand vergissen, maar gezien de
voltooide graafwerken in zijn tuin, was ik er gisterenavond bijna zeker van dat hij
aanstonds zou toeslaan, meer bepaald om 11.34 uur.”
Even moest ik alles laten bezinken. Opnieuw goot Jan een vol glas cognac door zijn keel.
Ik vroeg me hoe langer hoe meer af waarom hij me zo’n gebroken indruk gaf. Het was
immers niet de eerste maal dat iemand voor zijn ogen zelfmoord had gepleegd.
Opmerkelijk was dat hij met zijn glas nog geen enkele maal die enerverend ronddraaiende
bewegingen had gemaakt.
“Ik ben naar die kennis van me geweest die directeur is op de C.O.O.”, zei hij opeens.
Het klonk alsof iemand, beladen met zware zonden, te biechten ging.
“Op vier januari 1948 werd ‘s nachts omstreeks halftwaalf een boreling in Antwerpen
gevonden, midden op de stoep. Het kind bleek nog geen 24 uur oud te zijn. Het
pyjamaatje dat het droeg, was doordrenkt met bloed. Bewusteloos en half bevroren werd
het kindje naar het ziekenhuis gebracht waarna de C.O.O. zich over de vondeling
ontfermde. Volgens het Weerkundig Instituut K.M.I was het die dag volle maan om 10.23
uur en vroor het ‘s nachts lichtjes.”
Geschokt begreep ik dat hij het over onze man had. “Hoe kan een moeder zo wreed zijn?
En nu begrijp ik waarom hij een pink en een stuk oor miste.” “Tweemaal mis. Geen slechte
moeder en geen vrieswonden”, zuchtte Jan.
Tergend langzaam schonk hij zich een cognac in terwijl ik hem ademloos aankeek.
“De deken en het mandje met daarin een briefje van een wanhopige moeder werden iets
verderop teruggevonden. Het kind werd door een hongerige hond gebeten; zijn deels
ontvleesde linkerbeen wisten de dokters als bij wonder nog te redden.
Hondentanden sleurden hem met zijn been in een harde en onrechtvaardige wereld waar
hij als getekende geen enkele kans meer maakte. Achtendertig jaar later verwonde mijn
kogel datzelfde been waardoor hij duidelijk inzag dat er voor hem geen geluk was
weggelegd en er niet te ontkomen viel aan zijn lot dat in de sterren geschreven staat.”


geplaatst op 03-06-2004

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.