A.T.van 't HOF
Kronkelknar of kutmarokkaantjes?
(Paul Rodenko)
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.  
In zijn beschouwing "Wat is poëzie?" (opgenomen in Tussen de regels, 1956)
zegt Paul Rodenko: 'De menselijke gevoelsscala is beperkt en dichters zullen
steeds weer over dezelfde dingen dichten - alleen hun wijze van presentatie
verandert.' Rodenko legt in deze uitspraak de nadruk op de vorm als het
onderscheidend aspect van poëzie ten opzichte van andere literaire genres. Even
later nuanceert hij dit standpunt door te verklaren dat vorm en inhoud
onverbrekelijk samenhangen: 'Het is niet zozeer de techniek als zodanig, die de
moderne poëzie van b.v. de roman onderscheidt, dan wel de inhoud waarop die
techniek betrekking heeft, in het geval van de poëzie het specifiek 'poëtische',
dat de moderne poëzie meer of minder systematisch in de subcorticale sfeer
zoekt.'
Rodenko dient in zijn beschouwing twee punten van (in die tijd) veelgehoorde
kritiek op de moderne poëzie van repliek. Allereerst verzet hij zich tegen het
verwijt van 'vormloosheid' door te verklaren dat de moderne dichter het accent
dat lange tijd op rijm en metrum heeft gelegen, heeft verplaatst naar andere
technieken, 'met name die van het mytische, onirieke, historische, linguistische of
ook fysiologische perspectivisme'. Ten tweede gaat hij in tegen de neiging om de
moderne poëzie te verklaren uit een 'zich-afwenden van de geest', dat wil
zeggen tegen de aantijging dat moderne poëzie onintelligent zou zijn, een punt
van kritiek dat de moderne dichter volgens Rodenko wellicht aan zichzelf heeft
te wijten door het begrip poëzie te exclusief te hebben willen associëren met
het 'Onderbewuste, en alles wat daaruit opdook als zodanig reeds als pure
poëzie' te beschouwen. Hij verklaart dat de moderne poëzie 'juist bij uitstek
intelligent' is: 'waar formele voorschriften ontbreken, is de dichter immers
geheel op zichzelf, dus op zijn eigen intelligentie aangewezen.' Samengevat
beschouwt Rodenko poëzie als 'het zichtbaar maken van de werkelijkheid' vanuit
'een bepaald perspectief'. Dit perspectief wordt opgebouwd door 'het
materiaal van het gedicht' op een intelligente wijze te rangschikken, hetgeen
inhoudt dat de beoefening van poëzie naast reflectie van de werkelijkheid en op
de 'creativiteit-in-het-algemeen' ook met 'techniek, ergo vakmanschap, ergo
specialisme, ergo studie te maken heeft'.
Rodenko neemt binnen het modernisme een gematigd standpunt in: hij beschouwt
'het zichtbaar maken van de werkelijkheid' nog als een wezenlijk bestanddeel
van de poëzie. Na hem hebben dichters in de tweede helft van de vorige eeuw de
grenzen van het modernisme verder verkend en uitgediept, waarbij het vermogen
van de poëzie om de wereld om ons heen op de een of andere wijze waarachtig te
representeren steeds meer onder druk kwam te staan. Onder aanvoering van de
Franse poststructuralistische filosofen werd de relatie tussen werkelijkheid en
taal uiteindelijk volledig verbroken: zij verkondigden dat elk beeld van de
werkelijkheid wordt bepaald door taal, en aangezien alle taalsystemen inherent
onbetrouwbare culturele concepten zijn, bestaat er geen betrouwbaar beeld van
de werkelijkheid. Dit leidde binnen de poëzie onder meer tot een fixatie op taal,
waarbij taal en de conventies van teksten vooral iets werd om mee te spelen. Het
postmodernisme gaf de door Rodenko nog voor onverbrekelijk gehouden
samenhang tussen vorm en inhoud een fikse knauw door de inhoud te
deconstrueren en van vele betekenissen te voorzien, waardoor zij in feite
betekenisloos werd. Deze frontale aanval heeft een crisis binnen de poëzie tot
gevolg gehad waarin we tot op de dag van vandaag nog altijd verkeren.
Voor alle duidelijkheid, het huidige poëtische veld is uitermate divers. Dichters
bevinden zich voor wat betreft hun poëtica op allerlei punten op de lijn die
loopt van het gematigd en radicale modernisme van het begin van de vorige eeuw
via de experimentele poëzie van de Vijftigers tot aan het postmodernisme van de
laatste decennia. Maar vrijwel niemand is onaangeroerd gebleven door wat ik in
navolging van George Steiner 'het verbroken contract' zou willen noemen (maar
dan zonder de religieuze context waarin hij het contract plaatst): de
postmoderne breuk tussen kunstzinnige schepping en betekenis. Diep ongerust
stelt Steiner de volgende prangende vraag: 'Kan er een ervaring van het gedicht,
het schilderij of de muzikale compositie bestaan die niet gokt op een
aanwezigheid van betekenis?'
Het antwoord dat de jongere dichters op deze vraag zullen gaan geven, zal
bepalend zijn voor de toekomst van de poëzie. Het is moeilijk in te schatten
welke kant het op zal gaan: blijft het contract verbroken? zoals Ilja Leonard
Pfeijffer voorstaat, met een volledige fixatie op taal als gevolg:

poëzie is drie keer durven balken is huilen
bij een tekenfilm is drinken
zonder dorst terwijl je heus wel weet
dat je van fouten moet leren
is krakkemikkig zin kramen is de zestienduidige
paso doble van de kronkelknar

of krijgt de taal haar betekenis terug? zoals Mustafa Stitou bepleit:
Ofschoon de conceptueel-'anekdotische', op z'n minst anti-metafysische dichter
met vrome verwondering naar de hemel kon kijken, ontging hem wat er op aarde
gebeurde niet: twee kutmarokkaantjes, met andermans scooter aan de haal.

Ik gok op het laatste, omdat ik bij gedichten als die van Pfeijffer wel de
stijlvaardigheid onderken, maar niet het gevoel heb dat ik poëzie lees. Een
levensvatbare poëzie is, zoals Paul Rodenko nog inzag, ontegenzeggelijk
verbonden met vorm èn inhoud. De roep van Bas Belleman om meer aandacht voor
de inhoud van poëzie was dan ook niet zozeer onhandig, zoals Maarten Doorman
beweerde, maar gericht aan het verkeerde adres: niet de critici zijn
verantwoordelijk voor het trekken van belangstelling, nee! dat zijn alleen de
dichters zelf.

Bron: “1hundred1” weblog van Ton van ‘t Hof

(geplaatst op 24-07-2005)

terug naar boven