Het Gepeupel, het Establishment en de
Bastaard
door ERIC ROSSEEL

1. Een beetje autobiografie waarmee een narcist als ik graag
uitpakt

De lezer mag weten wie ik ben. Ik ben relatief fier op mezelf, zij het niet op
alles wat ik in mijn leven gedaan of gelaten heb. Zoon van een ongeschoolde
bouwvakker, die wel het radionieuws becommentarieerde als een intellectuele
rebel met populistische trekjes. Mijn vader was een bastaard, een hybride
zijnsvorm van én arbeider én lezer van de meest verscheiden soort boeken en
tijdschriften, een zijnsvorm die fataal in zelfmoord moest eindigen. Met die
belastende achtergrond kon ik dankzij de democratisering van het onderwijs in
de periode van de Golden Sixties studeren, verzeilde aan de universiteit zonder
de bedoeling ooit te gaan werken, werd daar opgenomen in het academisch kader
en bracht het tot professor. Maar met de rebelsheid die ik van mijn vader had
geërfd en met de compromisloze houding om steeds mijn zin te doen en nooit de
zin van een of andere professorale pooier, raakte ik natuurlijk fijngemalen
tussen mijn grandioos narcisme en de normen van de academische elegantie en
beschaafdheid. Eindigde de bastaard die mijn vader was als zelfmoordenaar, de
hybride die ik was (én man van het volk én lid van de intellectuele elite) ging ten
onder aan een combinatie van apnoë en overdreven alcoholgebruik, de vlucht
vooruit (zoals het schrijven van meer en betere boeken dan mijn diensthoofden)
en een milde verslaving aan het aangenaam verblijf tussen bizarre mensen in
psychiatrische ziekenhuizen. De Staatsgeneeskunde verklaarde mij in 2003,
uiteraard zonder enig deskundig onderzoek (nochtans zaten ze daar met drie
naar mij te gapen – of was het naar het schilderij achter mij?), officieel manisch-
depressief, al had ik nooit een Mercedes gekocht met geld dat ik niet op mijn
rekening had staan. Met de bijkomende prognose: niet te genezen. Bij dit laatste
denk ik dan met fierheid aan één der slotverzen van Hugo Claus’ gedicht Marsua:
‘Mij heeft niemand meer genezen’. Natuurlijk heeft ook niemand ooit echt met de
inzet van een mentor gepoogd mij te ‘genezen’. En had iemand die intentie gehad,
ik zou zijn aanbod beslist hebben afgewezen. Ik heb in mijn ziektegeschiedenis
psychiaters meer inzicht in hen zelf gegeven dan zij in mij, nietwaar Dr. A.C.?
In samenspraak (sic) met het universiteitsbestuur kon ik gaan genieten van een
rustig pensioen, een vol jaar niet beseffend welk heil me eigenlijk te beurt was
gevallen. Ik dronk niet meer, gooide na dat volle jaar ook de psychofarmaca en
de pillen tegen de nevenwerkingen ervan  aan het ritme van een doos per
semester in de WC-pot. Was ik niet genezen, dan was ik toch geheeld. Althans
mijn geest (al is een tweederden meerderheid van de ondertussen biologisch
geworden psychiaters en een schare jaloerse Hollandse would-be dichters het
daarover niet met me eens), want mijn lichaam was door die decennia van
turbulentie, kwaliteitsloze voeding, de nevenwerkingen van psychofarmaca
allerhande (vermits de medici niet wisten waaraan ik leed, hebben ze van alles
op me uitgeprobeerd) en vooral door de jarenlang verdoken gebleven apnoë
zwaar aangetast.

Ook politiek ben ik altijd een bastaard, een hybride geweest: op mijn veertiende
trad ik toe tot de PVV-jongeren van mijn gemeente (de PVV was de voorloper van
de tegenwoordige liberale VLD) op voorwaarde dat geen anticommunistische
propaganda zou worden verkocht, maar alras verkoos ik, na een verkenning van
de markt, mijn pintjes te drinken in de cafés van de socialistische én van de
christelijke vakbond. Ook nu nog – anno 2007 – noem ik mij een liberale
marxist: een hybride die zichzelf altijd verdacht heeft gemaakt bij de deftige
socialistische en liberale partijen, maar ook bij alle varianten van uiterst-links,
zowel bij de KP, de trotzkisten, de maoïsten als de anarchisten. Hybride was en
ben ik ook in mijn levensbeschouwelijke overtuiging: ik was noch vrijzinnig noch
christen. Ik onderteken mijn brieven aan het Humanistisch Verbond en andere
logehoofden nu nog altijd met ‘vrijgeestige groeten’. Als ik die geïnverteerde
enggeest van een Etienne Vermeersch zich zie presenteren op tv of krant als de
spreekbuis van de vrijzinnigheid en in die status ook als dusdanig door de
presentator of journalist van dienst wordt bevestigd, dan weet ik dat ik in ieder
geval geen vrijzinnige ben en gaat mijn sympathie onmiddellijk naar die warme
maar ook intelligente menselijkheid van onze kardinaal Godfried Danneels. Op
mijn 20ste werd ik reeds uitgenodigd lid te worden van een vrijmetselaarsloge,
maar de broeder die me dit aanbod deed, was me letterlijk te vettig en ik,
eerder mager van lichaam zijnde, bedankte voor de eer. Hybride was ik ook als
omzeggens enige West-Vlaming temidden het Antwerpse crème van de
intelligentsia aan de Vrije Universiteit Brussel en u weet wel welke bijzondere
sympathie de Antwerpenaren voor hun West-Vlaamse landgenoten reserveren.
Kortom, bijna overal stond en sta ik met één been in een wereld en met een ander
been er weer helemaal buiten. Maar voor de rest wist ik me wel in te passen in
de heersende zuilenvisie: het beeld dat in de samenleving diverse ‘zuilen’
tegenover elkaar stonden, zuilen die delen van het gewoon volk en daarmee
verbonden elites samenbrachten. En ik wist ook aan welke zuil ik mijn hart had
verpand.

De wijze waarop het intellectuelendom (van academische collega’s tot
journalisten en eerbare kunstenaars) omsprong met het gegeven dat ik mij in de
jaren ’90 publiekelijk durfde te outen als gek en geestesgestoorde (want ik
dacht toen nog dat de psychiaters gelijk hadden), de wijze waarop dat ‘dom’ mij
uitspuwde omdat ik mij om mijn geestelijke bizarheid en pathologische
eigenzinnigheid niet schaamde, begon echter langzaam sporen na te laten. Het
stigma dat de intellectueel rijken van geest op mijn voorhoofd hadden geprent
zorgde er vrij natuurlijk voor, en zonder dat ik het eerst zelf merkte, dat ik mij
meer en meer verwant ging voelen met andere gestigmatiseerden: zieken, armen,
holebi’s, gevangenen, terroristen, vreemdelingen, hoeren, pedofielen, kannibalen,
perverten, aan lagerwal geraakten en losers van allerlei slag. En als
gepensioneerde voelde ik me aanvankelijk ook een uitgeslotene. Maar een
gepensioneerde moet aan niemand verantwoording afleggen. Ik kan nu, binnen de
grenzen aangegeven door het bedrag op mijn spaarrekening, vrijuit de trotse
buitenissigheid en eigenzinnigheid die ik eertijds van mijn vader heb
overgenomen, cultiveren. Geen enkele sociale ambitie of aspiratie moet de
mogelijkheden van mijn vrije geest inperken. Ik voelde mij voorheen al sterk
aangesproken door de Vlaamse kampioen van de hybriden, Jean Pierre Van
Rossem, zoals ik een West-Vlaming, m.a.w. iemand die het niet verdraagt dat men
niet verdraagt dat je recht voor de raap bent. Jean Pierre Van Rossem werd in
de jaren 1990 vakkundig geliquideerd door de verenigde politieke klasse en door
de media die hem eerst hadden groot gemaakt. Want de media weten als puntje
bij paaltje komt, wel aan wiens kant ze moeten gaan staan: eerst zelf allerlei
populisten kweken, tot dit populisme iets begint voor te stellen en een
bedreiging wordt voor de gevestigde macht. Van Rossem: een te groot ego voor
Arm Vlaanderen, ‘het land van de gewassen maandverbanden’, zoals JPVR onze
regio noemde. De in mijn ogen bijzonder laffe en oneerlijke manier waarop de
politieke correcte edellieden van de welopgevoede klassen een andere hybride,
Jean-Marie Dedecker, ook een West-Vlaming en een groot ‘ego’, het laatste jaar
hebben aangepakt, was dan eigenlijk ook maar een herhaling van de ‘operatie JP
Van Rossem’. Ik heb het hoegenaamd niet voor de meeste van Dedecker’s
ultraliberale ideeën (zoals ik me qua ideeën ook maar deels met Van Rossem
verwant voelde). Maar van de stijl van de paar hoofdstukken die ik van zijn
boek Rechts voor de Raap heb gelezen, heb ik waarlijk genoten, een genot waar
journalisten à la Yves Desmet en politici van het slag van Yves Leterme (de
laatste nochtans ook een West-Vlaming, maar dan wel een keurig en kleurloos
opgevoede) blijkbaar niet bij kunnen.

In Vlaanderen word je populist genoemd wanneer je het achterste van je tong
laat zien. Sinds de Spanjaarden hier in de 16de eeuw orde op zaken hebben
gesteld, heeft omzeggens elke Vlaming die niet kon uitwijken naar Amsterdam en
hier uit armoede wel diende te blijven, geleerd te zwijgen, te liegen en zijn plan
te trekken. Op tv kan je zo op het gezicht zien dat de meeste Vlaamse politici
met dubbele tong spreken: wat zij je als kijker meedelen, is veelal bedoeld voor
iemand anders, de tv is maar une personne interposée. Tsjeventaal wordt dat
genoemd. Kampioen is natuurlijk Yves Leterme, waarvan niemand mij kan zeggen
wat de enige twee woorden die hij kent  (‘degelijk bestuur’) nu eigenlijk
betekenen. En elk editoriaal in een Vlaamse krant is een weddenschap op twee à
vijf paarden. Een doorsnee gewone Vlaming die een micro voor zijn neus geduwd
krijgt om over een delicaat onderwerp zijn mening te ventileren, deinst in een
eerste reactie terug en checkt dan wat hij denkt dat de interviewer wil horen
om uiteindelijk iets kwijt te geven in de trant van ‘wij zijn maar gewone mensen
hé’. Een uitzondering waagt het eventueel te zeggen: ‘ik denk er het mijne over’.
Ik hou niet van mensen die het achterste van hun tong niet laten zien, noch in
mijn privé-leven, noch in de politiek. Geef mij dan maar Bush: daar kan je
tenminste mee ruziën.

Kortom: als hybride laat ik de verticale opbouw van de zuilenvisie met haar
verbond tussen volkse lagen en een zich op die lagen beroepende elite meer en
meer voor wat ze waard is (niet veel dus) en hel stilaan over naar de overtuiging
dat de strijd tegenwoordig gaat tussen de onderklasse, het gepeupel dus en het
fatsoenlijke establishment dat, het weze politicus, het weze journalist, het weze
kunstenaar, het weze wetenschapper, het weze wat het wil, met handen en voeten
gebonden is aan de Macht en aan de Staat. Het racisme van het Vlaams Belang
stoort me geweldig maar haar populistische stijl geenszins. Ik hoor liever de
baldadige stem van Filip Dewinter dan de perfect voorspelbare beleefdheid van
Johan Vande Lanotte (waarvan ik graag toegeef dat hij veel intelligenter is dan
Dewinter). Mijn gebrek dat ik me niet gemakkelijk en zelfs geïrriteerd voel in
het gezelschap van mensen met verborgen agenda’s, die nooit en in ieder geval
niet tegen de gewone man en vrouw het achterste van hun tong laten zien, heeft
me in een milieu van Vlaamse elitairen, die precies wedijverden in dat soort
hypocrisie, veel parten gespeeld en me veel nederlagen doen lijden. Ja, er zal
wellicht ook wel een stuk fascist in me schuilen. Het fascisme: inderdaad de
wraak van het naamloze gepeupel wanneer dat gepeupel voor de sociaal-
democraten allerhande niet meer interessant is en het politiek en
maatschappelijk wordt gedumpt. De armen van geest in het gepeupel teren dan
op de caritas en barmhartigheid van de rijke kerkgangers die hun geweten
sussen met wat liefdadigheid, terwijl wie nog wat rebellie in zijn testikels voelt
kiest voor de weg van het anarchofascisme. En ik, ik ben gedoemd een hybride
bastaard te blijven. Het merendeel van het gepeupel is immers als gevolg van
zijn kansarmoede eerder dom en bekrompen (maar eerlijk gezegd: een ruim
aantal van de professoren en wetenschappers die ik te lande en op deze planeet
heb ontmoet was ook eerder als bekrompen te catalogeren) en ik ben intelligent:
daar zijn mijn vriend en vijand het in grote getale over eens en ik sluit me bij
deze consensus aan. Ook bij het gepeupel val ik tussen twee stoelen. Voor iemand
als ik wiens hysteries en manieën maar een mantel zijn voor nood aan liefde, is
het soms moeilijk dragen daar op de grond met links en rechts een stoel naast me.

Ik kan moeilijk iets anders dan een hybride zijn. Mijn levensloop dwong me om in
veel huiden te kruipen. En in mijn werk als psycholoog heb ik zelf gekozen me
pogen in te leven in veel verschillende individuen en subculturen eerder dan alles
vanuit één en hetzelfde helicopterstandpunt te bezien. Daarom zal ik soms ook
wel tegenstrijdig zijn. En daarom heb ik zulke meer dan puur literaire
waardering voor de Portugese schrijver Fernando Pessoa, die onder verschillende
heteroniemen (‘pseudoniemen’ met een eigen leven, schrijfstijl en
literatuurtheorie) en ook onder zijn eigen naam uiting gaf aan alternatieve
wijzen om tegen de wereld aan te kijken: ondanks die tegenstrijdigheden bestond
en bestaat er zo iemand als Fernando Pessoa. De mensen die mij beter kennen,
weten wel hoe ze de soms zichzelf tegensprekende hybride Eric Rosseel moeten
vatten.

Deze autobiografische noot geef ik hier maar om aan te geven vanuit welk
perspectief ik over het gepeupel schrijf. Bitter en melancholisch. Ja soms
wraakzuchtig. Maar aangezien ik dat maar al te goed besef, kan ik ook afstand
nemen van die bitterheid en van die wraakzucht. Al valt het me elke dag
moeilijker als ik moet zien en horen hoezeer de elite, die ondertussen ook goed
in de gaten heeft dat de onderklasse weet dat zij op de machtigen steeds minder
kan rekenen, erop uit is ons te euthanaseren (cf. het pleidooi van zekere
‘vrijzinnigen’ voor euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden). En de hybride
wordt tweemaal geëuthanaseerd: én door de elite én door de onderklasse zelf.
Door de eerste met een spuitje pentothal, door de tweede met de blote hand.

2.  Een overlopende WC-pot

Mijn inspiratie om iets te schrijven over het lompenproletariaat, die laagste
klasse van het gepeupel, deed ik op bij het lezen van een psychologisch
onderzoek over ‘onze’ perceptie van daklozen en drugverslaafden.  U zal straks
wel begrijpen waarom ik onze tussen aanhalingstekens plaats. Dit onderzoek van
twee Amerikaanse psychologen, Lasana Harris en Susan Fiske, geeft aan dat
‘onze’ hersenen in een fractie van tijd, een paar milliseconden, met walging
reageren op beelden van daklozen en drugverslaafden, vergelijkbaar met de
misselijkheid bij het zicht van een overlopende WC (via een activering van de
hersendelen amygdala en insula, die geassocieerd worden met negatieve emoties).
Op andere sociale groepen die vriendelijkheid en/of competentie uitstralen,
geven onze hersenen uiting aan sociale erkenning en waardering via een
activering van de mediale prefrontale cortex, d.i. een deel van de
voorhoofdskwab. Uit voorgaand onderzoek is gebleken dat de activiteit in de
mediale prefrontale cortex wordt opgetrokken als twee mensen elkaar
ontmoeten.  Daklozen en junkies (h)erkennen we dus niet als mensen. Die
hersenactiviteit werd gemeten met fMRI (een techniek van brain imaging
waarbij de verhoogde bloedtoevoer naar geactiveerde hersendelen omgezet
wordt in foto’s met kleurschakeringen die de graad van ‘druk gedoe’ in die
breinregio’s weergeven). Daarvoor hadden de onderzoekers beelden van mensen
onderverdeeld volgens twee dimensies, namelijk kil/koud versus
warm/vriendelijk en mislukt/loser versus competent/winner. Dit levert vier
kwadranten op: warm/competent (een leuke glimlachende sportkampioen b.v.),
warm/incompetent (oudjes b.v.), koud/competent (harde managers b.v.) en
tenslotte koud/incompetent  (drugverslaafden en daklozen). We werpen hier al
de vraag op waarom daklozen en junkies als koud worden gecatalogeerd:
iedereen kent toch ook sympathieke daklozen en drugverslaafden. De
onderzoekers toonden dus beelden van haveloze lompenproletariërs met een
grimmige gezichtsuitdrukking, kortom mensen die de grens van ontmenselijking
en onmenselijkheid bereiken: muselmannen zoals ze in de nazi-
concentratiekampen werden genoemd. De proefpersonen die hoe dan ook als
eerstejaarsstudenten tot één der eerste drie betere kwadranten behoorden,
drukten dus tegenover die slordig geklede en nauwelijks gewassen stumpers
afkeer en walging uit. En die walging kwam overeen met hun misselijkheid bij het
aanschouwen van een vol gekotste wc (beelden van opbeurende én walgelijke
voorwerpen of situaties werden eveneens aan de proefpersonen aangeboden en
zij en hun hersendelen reageerden effectief ook met waardering of walging).

Of beter gezegd, de proefpersonen drukten in psychische zin eigenlijk niets uit.
Op basis van de uiterst korte reactietijd van een paar milliseconden besluiten
Lasana en Susan dat de proefpersonen eigenlijk geen oordeel vellen over de foto’
s die ze te zien krijgen. Nee, hun hersenen reageren onmiddellijk, vooraleer ze
in staat zijn tot een gevoelsmatige, cognitieve of verstandelijke beoordeling van
de gepresenteerde beeldjes. De reacties zouden volgens de onderzoekers puur
neurologisch zijn en niet berusten op een psychische of mentale verwerking van
de informatie die op de foto’s zichtbaar was. Kortom, onze hersenen zouden
uitgerust zijn met een ingebouwd mechanisme dat hen doet reageren op daklozen
en drugverslaafden als waren het onmensen met de emotionele waarde van een
van urine en drek overlopende wc-pot. Onze hersenen zouden beschikken over
een constitutief mechanisme dat, zonder bemiddeling van redelijke
beoordelingen of in de loop van ons leven gevormde emoties en gevoelens,
daklozen en junkies weigert te erkennen als mensen. Het argument van de korte
reactietijd is echter geenszins overtuigend om te besluiten dat we hier te maken
hebben met een zuiver neurologisch in plaats van een psychologisch verschijnsel
of dat de reactie van walging bij het zien van sukkels ingebakken zou zitten in
de biogenetische morfologie van onze hersenen. Op die manier kunnen al onze
aangeleerde reacties eigenlijk tot de status van instinctmatige reflexen worden
herleid. Hier speelt, zoals het tegenwoordig mode is, de mythe van het brein als
een puur biologisch en genetisch geconstitueerd orgaan. We bespreken deze
brein-ideologie grondig en genadeloos in het volgend essay ‘Veel Dier, Veel
Machine! Waar is de Mens?’ naar aanleiding van meer ‘fundamenteel’ onderzoek
naar de verankering van onze moraal in de hersenen.

Met dat soort wetenschappelijke diepzinnigheid maken psychologen
tegenwoordig furore in eigen kring en in de media. Onze huiskrant De Morgen
was er als de eerste bij om dit verhaal zonder enige commentaar van Internet te
plukken. Het werd er voorgesteld als een verslag over de wijze waarop ‘wij’
reageren op daklozen en andere aan lagerwal geraakten. De proefpersonen bij
dit genre psychologisch onderzoek zijn bijna steevast eerstejaarsstudenten
psychologie die als onderdeel van hun opleiding verplicht zijn deel te nemen aan
psychologische experimenten (in Harris & Fiske’s onderzoek 24 Princeton-
studenten). Deze bijzonder specifieke, minoritaire en bovendien buitengewoon
elitaire bevolkingsgroep (Princeton is niet zo maar een universiteit) gaat door
als de hoogste vertegenwoordiger van de universele mensheid, ‘wij’. Stel u voor
dat onze psychologendames Harris & Fiske nu eens daklozen en junkies zelf als
proefpersonen hadden gebruikt en hen die foto’s hadden gepresenteerd van hun
lotgenoten, haveloos liggend onder een bank in een stadspark. Zouden dan: a) de
proefpersonen in onze kranten nog vereenzelvigd worden met ‘wij’? en b) zouden
de hersenen van die proefpersonen ook op foto’s van hun lotgenoten reageren
zoals ze reageren op de drek van een overlopende WC-pot? Wie in een fabriek
of een groot dienstverlenend bedrijf heeft gewerkt, weet dat de managers
nauwelijks hun mediale prefrontale cortex inzetten als ze vanachter hun
metersdikke bureau neerkijken op je kleine probleempjes. Je collega’s doen dat
al wat meer en de nachtwakers wellicht het meest van al: daar kan je nog een
risicoloos klapje mee slaan over de hersenvliesontsteking van je dochter of over
je hond die last heeft van wormen. En in een psychiatrisch ziekenhuis kijken de
psychiaters (die in hun studententijd wellicht ook proefpersoon speelden in
medisch-psychologische experimenten) doorgaans ook neer op de ‘daklozen’ als
op een overlopende WC. De verplegers doen dat al wat minder, afhankelijk van
hun humeur. En de medepatiënten staan altijd klaar met hun prefrontale cortex
om een nieuwe junkie als lotgenoot op te nemen in de groep. Het experiment van
Harris & Fiske laat dus alleen maar zien dat hoe kleiner de sociale afstand
tussen twee mensen, hoe groter de kans dat bij een ontmoeting de mediale
prefrontale cortex in actie schiet. Misschien ontspringen uit de insula en
amygdala van daklozen en drugverslaafden wel vonken van walging en
misselijkheid wanneer ze beelden zien van glunderende sporthelden en kille
topmanagers of van een clean WC met roze tegeltjes en driedubbel gelaagd
toiletpapier bedrukt met beertjes en hartjes.

En ja, Lasana Harris en Susan Fiske maken furore. Ze zijn er zelfs van
overtuigd alle genociden en holocausten te begrijpen en misschien zelfs te
kunnen voorkomen. Zij stellen zonder verpinken dat de ‘evidence’ van hun
onderzoek zal toelaten een juist begrip te krijgen van het al te menselijke
vermogen om wreedheden te begaan zoals hate-crimes, misbruik van gevangenen
en volkerenmoord. En waarom b.v. prostituees en drugverslaafden zo dikwijls
slachtoffer zijn van gewetenloos geweld. Dat hun onderzoek inzicht geeft in wat
er in de hersenen gebeurt bij dergelijke misdaden is overduidelijk, maar dat
seriemoordenaars het dikwijls op prostituees gemunt hebben zal, zo dachten we,
ook wel te maken hebben met hun sex-appeal en hun toegankelijkheid. En dat
sukkelaars eerder het slachtoffer zijn van geweld zou, om maar iets te noemen,
misschien ook van doen kunnen hebben met het feit dat de daders weten dat hun
slachtoffers weinig bescherming genieten en dat ze relatief straffeloos hun gang
kunnen gaan. Lasana en Susan spitsten hun analyse toe op hun interpretatie dat
wij daklozen en drugverslaafden als onmensen zien, als wezens die geen deel
uitmaken van de menselijke soort: sukkelaars hebben blijkbaar in ‘onze’
perceptie zo’n vreemde gewoonten en drukken zo’n vreemde normen en waarden
uit (of het gebrek eraan) dat ons brein hen ziet als wezen die geen lid zijn van
de menselijke soort. En zo laten ze zich dan natuurlijk snel verleiden tot de
pretentie om met hun onderzoek ook zo maar iets als de jodenuitroeiing te
verklaren. Maar is moord onze natuurlijke reactie op al wat niet tot de
menselijke soort behoort? Nee toch! Zagen de Serviërs de Bosniërs waarmee ze
vroeger vreedzaam samenleefden, plots als haveloze sukkelaars met de allure
van een overlopende WC? In de interviews die Susan Fiske graag weggeeft,
danst ze dan ook steevast op twee benen en tapt ze in elke paragraaf ook uit
een ander vaatje.

Want de Joden in Duitsland (of de Armeniërs in Turkije of de Tutsi in Rwanda)
waren natuurlijk geen ‘out-group’ van weerloze daklozen en drugverslaafden.
Integendeel, ze werden gezien als mensen die te veel macht en kracht hadden.
Op basis van haar sociaal-psychologische uitgangstheorie, de vier kwadranten
volgens de dimensies warmte en competentie, horen genocideslachtoffers
eigenlijk bij de groep koud-competent. En deze groep wordt dus, als we Fiske
moeten geloven, juist niet als onmensen gepercipieerd en er wordt niet op
gereageerd met walging en afkeer. Integendeel zelfs: de groepen die als mikpunt
voor een genocide worden uitgekozen, zouden dus eerder op een milde reactie
van de mediale prefrontale cortex moeten kunnen rekenen. Fiske gooit het dan
inderdaad plots over een andere boeg. Nu geeft ze aan dat mensen met een
hogere status afgunst opwekken en die afgunst vertaalt zich dan in een
ambivalente houding, die weifelt tussen de wil om bij die groep aan te sluiten en
het verlangen ze ‘pijn te doen’. We zouden graag toetreden tot de hoge
statusgroep, maar we vinden de leden ervan eigenlijk niet sympathiek. En
wanneer we de kans krijgen om ons tegen hen te keren, zullen we toeslaan:
genocide dus. Om de link te leggen met haar onderzoek speelt ze dan met het
lexicale karakter van het begrip ‘etnische zuivering’: de onzuiverheid van de
overlopende WC-pot wijst op de verwarrende relatie tussen dweperij,
fanatisme, afgunst en afkeer. Inderdaad: de uitroeiing van de Joden paste in een
totaalplaatje waarin de ganse Duitse (en Europese) samenleving gezuiverd en
ontsmet werd. De aanvangsdecennia van de 20ste eeuw waren geobsedeerd door
Louis Pasteur’s ontdekking van de microben en de ziektekiemen (Pasteur zelf
stierf in 1895). De toen opkomende en bijzonder expansieve Duitse chemische
industrie ontwikkelde een indrukwekkend gamma stoffen om huizen, fabrieken
en andere ruimtes te ontsmetten of te steriliseren, waaronder effectief ook
Zyklon B, dat later in de gaskamers werd gebruikt. In die context kregen de
Duitse nazi’s dus een technologie in handen waarmee ze zich konden ontdoen én
van de ziekteverwekkende Untermenschen én van hun machtige vijanden, zijnde
het complot van de Joden, de vrijmetselaars en de communisten. De metafoor van
de onzuiverheid reikte dus van de onderklasse tot de almachtige vijand. Maar
Susan Fiske moet dan wel beseffen dat, als ze eerder schuchtere stappen zet in
de richting van een dergelijke verklaring, haar ganse psychologische
uitgangstheorie én haar onderzoeksconclusies compleet onderuit gaan.

Het is al te gemakkelijk op om basis van een in alle opzichten eng onderzoekje
uit te weiden over de wereldgeschiedenis. Susan Fiske mag natuurlijk haar
mening hebben over genociden en over nog veel meer, maar de indruk geven dat
deze meningen een uitvloeisel zijn van haar onderzoek is de mensen een rad voor
de ogen draaien. Genociden hebben niets van doen met neurologische
mechanismen die in onze hersenen zouden zijn ingebouwd om met walging op
daklozen en drugverslaafden te reageren. En het sfeertje dat wordt gecreëerd,
namelijk dat het allemaal in de biologie van ons brein zit, is een uiterst
gevaarlijke doos van Pandora. Dat sfeertje suggereert immers dat we iets aan
ons brein moeten doen, op basis van dezelfde logica die de nazi’s ertoe bracht
iets aan de zuiverheid van hun ras te doen. Óf psychologen moeten hun
onderzoek wat vanuit een ruimer perspectief opzetten: van sociaal-psychologen
zou je zoiets mogen verwachten, maar jammer genoeg hebben de tegenwoordige
sociaal-psychologen een hekel aan hun collega’s van de
maatschappijwetenschappen en dwepen ze liever met neurologie en biologie,
waarvan ze echter doorgaans weinig afweten (vandaar dat ze er zo mee dwepen).
Óf ze houden ermee op hun totaal kunstmatig bekomen bevindingen te betrekken
op de werkelijke wereld van verleden, heden en toekomst. Hoewel: de fout ligt
niet bij hen! De verantwoordelijkheid ligt eerder bij de mediafiguren, die tuk
zijn op dat soort onderzoeken. In het gunstigste geval hebben die mediafiguren
geen tijd om ernstig na te denken over wat hen allemaal vanuit de wetenschap
wordt aangereikt. Misschien zijn wetenschapsjournalisten gewoon te dom, want
inderdaad doorgaans mislukte wetenschappers. Of ze hebben een verborgen
politieke en ideologische agenda. Een paar van hen kennende houden het we het
bij deze laatste hypothese.

We merken hier ook de idiotie van de opsplitsing van de wetenschap in een reeks
hypergespecialiseerde deelgebieden. Niet hypergespecialiseerd wat betreft de
behandelde thematiek (want die is nog altijd grotendeels dezelfde als wat
Aristoteles destijds op zijn eentje allemaal systematiseerde), maar
hypergespecialiseerd in de technologie waarmee dit onderzoek wordt uitgevoerd
en waardoor die thematiek gebracht wordt in een jargon dat de indruk wekt dat
we ondertussen veel verder staan dan wat Aristoteles allemaal al wist. Bij nader
toezien blijkt dat in Aristoteles’ werken eigenlijk veel diepgaandere
bedenkingen staan over psychologie dan wat de tegenwoordige legioenen van
psychologen op één jaar samenbrengen in de volumes van hun wel vijftig
vaktijdschriften. Want die rakelen in de conclusies van hun artikeltjes toch
maar weer de vragen op die Aristoteles en zijn collega’s al enkele eeuwen vóór
Christus haarfijn formuleerden. En, als je goed leest, daar ook antwoorden voor
hadden die zeker niet moeten onderdoen voor de theorietjes die nu door Susan
Fiske en co worden geproduceerd. En het is niet de interdisciplinariteit die door
het samenbrengen van een team van vakidioten de zaak zal redden. Idioten onder
elkaar doen niet liever dan onder elkaar te wedijveren in idiotie. Wat we weer
nodig hebben zijn fijngevoelige en breeddenkende mensen die van kinds af
geleerd hebben al hun zintuigen open te stellen en al hun hersendelen van het
nodige bloed te voorzien. Dat geldt zeker in de politiek, maar meer misschien
nog in de media en de journalistiek. Waren de journalisten wat kritischer, het
was rap gedaan met dat eerder enggeestig gedoe dat tegenwoordig voor
wetenschap moet doorgaan.

En dan zouden de sociaal-psychologen die wat over daklozen willen zeggen, eerst
eens een klapke gaan slaan met een sukkelaar die aan de ingang van de GB bedelt
om de eurocentjes die alleen maar gaten maken in hun broekzak.

3.   Men of good fortune, men of poor beginnings

In 2007 leeft ondertussen 15% van de Belgen onder de armoedegrens. Deze
verscherping van de sociale tegenstellingen heeft zijn complement in het feit dat
wie geld heeft, dit ook weer steeds ostentatiever laat zien. Conspicuous
consumption noemde Thorstein Veblen dit in 1899 in zijn boek The Theory of
the Leisure Class. En sindsdien hebben sociale wetenschappers daar nog de term
‘invidious consumption’ aan toegevoegd, de consumptie die precies beoogt de
afgunst van anderen op te wekken. Het laatste decennium halen met Sinterklaas
en de dagen vóór Kerstmis en Nieuwjaar de koopcijfers, vooral in de winkels van
duur speelgoed en luxewaren, elk jaar nieuwe recordhoogten. Tijdens de
nieuwjaarsvakantie 2006-2007 maakten nooit zoveel landgenoten een trip naar
het buitenland. Mensen op tv laat zich meer en meer zien in dure smoking en
merkenkledij en het Sportgala b.v., waar de sportlui bij wijze van spreken tien
jaar geleden in t-shirt en jeans naar toe trokken, is een echte catwalk geworden
waar onze Stefan Evertsen en Kim Gevaerts de ontwerpen van de duurste
kleermakers en couturiers showen. Zangers en zangeressen vallen minder op
door de kwaliteit van hun muziek dan door hun peperdure met swarovski-
diamanten overladen kledij. Bekende Vlamingen die uiting geven aan een soort
tegencultuur, zijn het laatste decennium, zonder dat iemand het gemerkt heeft,
volledig van het toneel verdwenen. Tegenwoordig moeten zij bewijzen dat ze iets
afweten precies van die dingen waar armen geen toegang toe hebben, zoals
bijvoorbeeld gastronomie: zij drinken geen pint meer maar dure wijnen. En
kunstenaars gedragen zich niet langer als bohémiens die lak hebben aan
culturele onderscheidingen, maar ontpoppen zich tot nagelbijters die
doodnerveus wachten of de Gouden Uil aan hen dan wel aan iemand anders wordt
toegekend of tot fiere pubers die stralen bij het ontvangen van de Chevalier
dans l'Ordre des Arts et des Lettres. De media laten in dit wereldje van
glamour en glitter geen nestbevuilers of rakkers meer toe, die door hun
optreden het ganse spektakelkarakter van deze formattering van winners
ontdoen van hun betovering. En dit spektakel is hoe dan ook bedoeld om de
afgunst van de arme kijkers op te wekken, maar dan een afgunst die geacht
worden onder geen beding te ontaarden in oneerbiedige intenties.

Armen zijn niet alleen arm, ze lijden ook onder een slechte gezondheid, zowel
lichamelijk als geestelijk. En zo worden ze volgestopt met medicijnen die hen
alleen maar zieker maken en hen beletten daadwerkelijk ook iets aan hun
problemen te doen. Nochtans kennen we de oorzaken: ze hebben geen geld! Geen
geld om iets deftigs te studeren, geen geld om kleren te kopen zodat ze op een
sollicitatiegesprek een deftige kans maken, geen geld om op tijd naar de dokter
te gaan, geen geld om een spandoek te kopen en op de trappen van de Beurs te
protesteren. Nee, er is niets mis met hun hersenen, ook niet met hun genen, ze
zijn qua IQ niet echt dommer dan de meesten onder ons. Er zitten natuurlijk een
pak gehandicapten bij of mensen met een aangeboren ziekten, maar kinderen van
rijke ouders die met zo’n gebrekkigheden geboren worden, krijgen doorgaans wel
aangepaste kansen en ze vervallen zelden in de armoede.

Maar wat weten onze Vlaamse opiniemakers via hun kanalen te verspreiden?
‘Armoede, geen kwestie van geld!’ 17 oktober 2006 was de Werelddag Verzet
tegen Armoede. En wat horen wij die avond op het tv-journaal als afsluiter van
het item vertellen door een soort armoede-therapeute? Na een paar beelden van
een paar opgetrommelde armen die groenten wassen, zegt de therapeute met de
centen van de belastingbetaler die het ministerie van Financiën met moeite bij
elkaar krijgt: ‘Armoede is eigenlijk geen kwestie van geld, het gaat om het gevoel
er niet meer bij te horen’. Wacht maar, therapeute, tot het geluk je ooit bekomt
om er niet meer bij te horen! Iemand die er niet meer bij hoort, maar op God
weet welke manier elke maand 3.000 euro (sommigen zelfs 10.000 euro of meer)
op zijn bankrekening weet te krijgen is niet arm. Michael Jackson en Prins
Laurent horen er ook niet meer bij en al hebben beiden blijkbaar
geldproblemen, arm zijn ze niet. Natuurlijk zijn er een reeks factoren die op
zichzelf niets met geld te maken hebben, die mee verhinderen dat armen zich
kunnen loswerken uit hun weinig benijdenswaardige toestand. Natuurlijk
riskeren armen bovendien nog eens te vereenzamen. Maar de zaken zo
voorstellen alsof armoede maar een ‘gevoel’ zou zijn en dat de oplossing erin
bestaat de armen in therapiegroepjes bijeen te brengen om ze wat aardappelen
te laten schillen en prei te kuisen, is een interpretatie van het christendom die
met het christendom niets meer van doen heeft. De vrt liet hier een oplossing
zien voor de tewerkstelling van sociaal-assistenten allerhande en van haar eigen
journalisten, maar geen oplossing voor de armoede.

Het aantal armen is natuurlijk veel groter dan diegenen die het moeten stellen
met een inkomen dat lager ligt dan 750 euro per maand. Arm is in feite al wie
afhankelijk is van ‘gelijke kansen’ om zicht te hebben op een goed leven, al wie
het niet in zijn of haar schoot geworpen heeft gekregen én er niet in geslaagd is
zich uit die positie los te peuteren en op te klimmen tot een min of meer Bekende
Vlaming.

‘Men of good fortune
Often cause empires to fall
While men of poor beginnings
Often cant do anything at all

The rich son waits for his father to die
The poor just drink and cry
And me, I just dont care at all’
(Lou Reed, Berlin, 1973)

Lou Reed brengt in deze song de drie actoren die het armoedetoneel beheersen
op een prachtige manier samen. De rijken die elkanders zakenimperium
ondermijnen, de armen die hun weinige geld verdrinken en ‘ik’ die er mij allemaal
niks van aantrek. Zijn song laat echter ook zien dat een dergelijke beschrijving
van de situatie geen enkele uitweg of uitzicht biedt. Waar komt die triade van
rijken, armen en ik vandaan? En waar gaat ze naartoe? Jeanne Devos, de
Vlaamse pater Damiaan van het begin van de 21ste eeuw, die in Mombai, de
Indiase miljoenenstad Bombay, halve huisslavinnetjes verenigt, is eigenlijk dé
personificatie van die ik-figuur. She doesn’t care at all! Behalve langslopen op
het koninklijk paleis en blijkbaar ook al bij Guy Verhofstadt (waarvan ik
overtuigd ben dat hij niet zo hoog oploopt met onze Jeanne) om nog eens een
check van 50.000 euro in haar leren tasje op te bergen, behalve op tv ook nog
eens haar gedacht komen zeggen over allerlei zaken waar ze niets meer over te
zeggen heeft dan u en ik, doet zij hoegenaamd niets. Anders had die tv ons al
lang kleurrijke beelden laten zien van the artist at work. Onze tv onthoudt ons
echter die beelden maar spreekt wel over een vakbond van huisslavinnetjes. Een
vakbond lijkt me toch wel iets anders dan een congregatie van Vlaamse nonnen
die aan die arme slavinnetjes, op dezelfde manier als hun eigen hindoepriesters,
gaan vertellen dat lijdzaamheid en lankmoedigheid de beste wapens zijn tegen de
armoede. Jeanne Devos speelt geen enkele rol in de strijd tegen de armoede in
India, zij speelt hooguit een rol in de wijze waarop de armen hun situatie
verdragen en dan nog is die rol buitenmatig overroepen. Zoals in Zuid-Amerika
de bevrijdingstheologen de zaak van de armen veeleer kwaad dan goed hebben
gedaan: wie spreekt nu op het moment dat de Zuid-Amerikanen in Venezuela,
Bolivia, Ecuador, Brazilië, Chili, Mexico, enzovoort, de trom roeren en het
uitzicht van Amerika, ook van Noord-Amerika, aan het veranderen zijn, nog over
de rol van de bevrijdingstheologen? Che Guevara is de geschiedenis ingegaan,
maar wie weet nog wie de hier eertijds zo aanbeden Dom Hélder Câmara was?
Of aartsbisschop Óscar Romero? En heeft iemand alhier ooit de naam gekend
van één van die blijkbaar zo talrijke bevrijdingstheologen? Leonard Boff,
connais pas! Maar Fidel Castro kennen we wel en mogelijk zelfs Salvador
Allende. Dat zijn de lui die iets gedaan hebben aan de armoede in de wereld, niet
Jeanne Devos. De mannen en de vrouwen die de strijd tussen arm en rijk
dynamitiseren, zoals de architecten van de Portugese Anjerrevolutie van 1974
dat zo mooi wisten te zeggen. De rol van mensen als Jeanne Devos is veeleer die
dynamiek te verstikken en te bevriezen.

Godsdienst kan helpen om onvrede te ventileren, maar ondertussen weten de
mensen die geprobeerd hebben om op basis van de islam alleen iets aan de
armoede in de Arabische wereld en de moslimwereld in het algemeen te doen, dat
ze op een dood destructief spoor zitten. Waarom was de Egyptische kolonel
Gamal Abdel Nasser indertijd zo’n vijand dat men er een Suez-oorlog voor over
had? Was er geen Koude Oorlog, men had hem in de jaren 1960 als president
ongetwijfeld politiek en zelfs fysiek uitgeschakeld! En waarom had men schrik
van Khadafi? En waarom moest Saddam Hoessein eigenlijk verdwijnen? Omdat
Saddam’s Baath-partij in de periode 1970-1990 van Irak, op Isräel na, het
welvarendste land in het Midden-Oosten had gemaakt. Saddam Hoessein was
natuurlijk een dictator die meer dan één en ander op zijn geweten heeft, maar
dat heeft nooit een rol gespeeld in de beslissing hem uit te schakelen. Eenieder
die de geschiedenis aldaar kent, weet dat er in de week vóór de invasie van
Koeweit, die Saddam’s lot bezegelde, door de USA en een aantal conservatieve
Golfstaten (waaronder precies Koeweit) een plan was goedgekeurd om Iraks olie-
inkomsten te kelderen en de Iraakse welvaart te ondermijnen. Zelfs Kofin
Annan, de vorige secretaris-generaal van de Verenigde Naties, beweert nu, nu
zijn woorden geen rol van betekenis meer hebben, dat Irak met Saddam veel
beter af was dan met de Amerikanen en hun marionetten aldaar. Waarom is de
actuele burgeroorlog tussen Fatah en Hamas in Palestina zo belangrijk? Omdat
het een strijd is tussen het moderniserend Arabisch socialisme van de Palestijnse
Bevrijdingsorganisatie PLO, die in de geest van Nasser en de Syrisch-Iraakse
Baath-partij is opgericht, en de islam van Hamas, die de mensen alleen maar wil
vasthouden in hun slachtofferrol, wel erg uitblinkt in caritatief werk, maar
verder geen perspectief biedt. De leiders van Hamas en Al-Qaida (als Al-Qaida
nog bestaat) zijn puur conservatieve figuren en iedereen heeft er zijn voordeel
mee gedaan. De Amerikaanse conservatieven zelf moeten niet klagen: ze hebben
enorm veel geld verdiend met Al-Qaida.

In Iran doet men het zoals de Communistische Partij het in China heeft gedaan
en voorheen Stalin in de Sovjet-Unie: in het keurslijf van een strenge ideologie
een moderne economie opbouwen. Had het Perzië van de Sjah sociale,
economische en politieke ruimte geboden aan een  oppositie buiten de religieuze,
dan was er in Iran een heel andere dan een ‘islamitische’ revolutie geweest. In
Palestina is dat hooguit een optie, omdat de bevolking er op een halve eeuw
totaal verarmd is geraakt en er dus ruimte ontstaat voor een beweging die het
moet hebben van ideologische verstikking in een context waar, zoals destijds in
de Sovjet-Unie en Mao’s China, teveel intellectuele discussie stilaan een
gevaarlijke luxe wordt. Palestina heeft echter al meer dan een eeuw een
numeriek belangrijke sociale laag van geletterde arbeiders, ondernemers en
intellectuelen die iets meer te bieden heeft dan de Messias die president
Ahmadinejad de Iraniërs aanbiedt. En ook in Iran zien we dat de
ultraconservatieve islam terrein aan het verliezen is. Dan pas zal een
gemoderniseerd Iran een echte, werkelijke bedreiging zijn voor de Westerse
conservatieven. Alleen heeft het Westen gelukkig niet meer de slagkracht om die
modernisering te verhinderen, zoals ze dat in Palestina wel heeft kunnen doen
door daar in 1948 de Staat Israël te stichten of door in Irak Saddam Hoessein
te liquideren. In Irak heeft een bepaald Westen de strijd tegen de
modernisering in het Midden-Oosten verloren. De USA en Israël kunnen nu
alleen nog van Palestina ook maar een Iraaks slagveld maken, want de
Amerikaanse en de Joodse conservatieven en Hamas, dat weet iedereen, dat zijn
eigenlijk twee handen op één buik.

We zijn van Lou Reed via Jeanne Devos weer de ganse wereld rond gereisd.
Eigenlijk wilden we maar een vrij eenvoudige idee naar voren schuiven. Namelijk
dat rijken er geen behoefte aan hebben om samen de wereld zinvol te beheren,
ze kunnen hun eigen leventje leiden en op eigen kracht naar geluk zoeken. Ze
kunnen zich vergenoegen in allerlei  boeddhismen en spiritualiteiten die ik hen
graag gun. Deze leveren hen immers wat broodnodige peace of mind: heel
dikwijls zijn zij die ver gaan in dat spiritueel gedoe en er verloren in lopen,
psychisch getraumatiseerd geweest (ik zeg wel: psychisch, geen incest of een
ander fysiek misbruik). Armen zijn hoe dan ook verplicht samen een nieuwe
wereld uit te bouwen die, vergeleken met het kleine eigen wereldje van de
rijken, bij hun dood niet verloren gaat: hun ‘psyche’ is steeds een collectief
gedeelde psyche, een collectieve ‘waan’, die de wereld veel meer kleurt dan de
visoenen en hallucinatorische vormen van de in zichzelf teruggetrokken rijke,
die eigenzinnigheid verwart met introversie en introspectie. De Macht van de
rijken dwingt hen namelijk zich af te zonderen in kastelen die bewaakt zijn door
een legertje agenten en camera’s of op een onbewoond eiland in de Stille
Zuidzee. Noch koning Albert, noch Guy Verhofstadt, noch Bill Gates kan lustig
en ongedwongen rondslenteren in de Brusselse binnenstad of op zijn gemak
genieten van de pracht van de Grote Markt aldaar. En daardoor genieten de
armen eigenlijk van een vrijheid die de rijken zich zelf moeten ontzeggen. De
armen kunnen duizenden wereld uitbouwen, gaande van het samen kruipen en
krimpen bij een schraal vuurtje, dat een illusie van warmte en gezelligheid
opwekt, hopend dat ze ooit eens in een andere wereld hun voorvaderen terug
zullen zien, tot het bezetten van de publieke ruimte, niet als verering van vaag
herinnerde stamvaders, maar als de productie van een nieuwe ruimte voor de
nazaten die ze reeds hebben voortgebracht of die ze van plan zijn het licht te
geven. Het Establishment kan zich slechts met twee dingen bezighouden:
manieren zoeken om de armen het zwijgen op te leggen en zich zelf verdwazen in
één of andere pseudo-psychologie. De armen kunnen kiezen tussen duizend
manieren om de werkelijkheid te ondergaan en tussen duizend manieren om die
werkelijkheid om te vormen tot een bewoonbare wereld. Het is volkomen fout te
denken dat Bill Gates de internetwereld heeft gecreëerd, omdat hij baas is bij
Microsoft. Dat hebben duizend van zijn werknemers en miljoenen ‘armen’ voor
hem gedaan. En het zijn die honderd miljoenen internetgebruikers die terecht
door Time als ‘You’ verkozen zijn tot Persoon van het Jaar 2006. Maar
sommigen in dit land zeggen liever van een onderneming ‘ze hebben 50 mensen in
dienst’ dan ‘er werken daar 50 mensen’.

Een uitsmijter! De rijken zien de wereld als bezoekers van toeristische
reservaten (Stonehenge, Thaise stranden, Afrikaanse natuurparken, etc.). De
armen zien de wereld op televisie. Wie heeft het meest gezien?

4. De Hybride als Reiziger

Ik heb in de meest vunzige en onhygiënische Afrikaanse bistros gegeten en ik
gedroeg er mij als een vuile neger. Ik heb in het restaurant van het Parlement
gegeten en ik gedroeg er mij als een staatsman.

Ronnie Lippens zou mij een chaohybride noemen. Even – voor de eerste keer in
dit boek - toch geleerd doen. Ronnie Lippens, een intellectueel verdwaalde
Vlaming, nu hoogleraar criminologie aan de Keele University in Engeland, stuurde
mij in 2000 ongevraagd zijn boek Chaohybrids: ik had nog nooit van Ronnie
Lippens gehoord. Maar toen ik het boek las, merkte ik al snel dat hij in zeer
geleerde en academisch doorwrochte taal dezelfde visies vertolkte die ik zelf in
diverse boeken heb neergelegd en hij verwees naar schrijvers waarop ik me zelf
ook sterk op baseerde: Deleuze & Guattari, Maturana & Varela, Gary Genosko,
Zygmunt Bauman en andere kleppers van wereldformaat. Wat is een
chaohybride? Ronnie Lippens geeft volgende omschrijving – ik vertaal: ‘een
complex, een netwerk van verschillende kriskras kruisende (bo)orden, dat zich
bovendien dynamisch ontwikkelt, steeds onvoorspelbaar, steeds doorheen
chaotische instabiele toestanden.’ Ronnie Lippens heeft het over hedendaagse
sociale en culturele omgevingen of settings, maar ik denk dat mensen op zichzelf
en, voor zover ik mezelf kan bekijken, ik zeker ook chaohybriden zijn. Wij zijn
tegenwoordig allen een soort punt (of plaats of moment) waar diverse logica’s
(orden) elk met hun grenzen (boorden) op elkaar inspelen. Zo vormen wij een
chaotische mix die een onvoorspelbaar leven gaat leiden en die een reis maakt
van het éne onevenwicht naar het andere, in dezelfde zin als de vergeten en
eigenlijk nooit bekende Franse filosoof Gilbert Simondon een halve eeuw geleden
de biologische en psychische ontwikkeling van het individu beschreef. Of zoals
Antonio Negri het zou zeggen: wij leven niet langer in de ruimte maar in de tijd,
wij zijn tijd, wij zijn tijdelijk en compleet mobiel geworden. Of zoals ik vroeger
schreef: wij zijn (terug) nomaden geworden, voortdurend op weg van de éne
woonplaats naar de andere, van de éne relatie naar de andere, van de éne job
naar de andere, van het éne ‘zelf’ naar het andere. Ik zag tien jaar geleden die
nomadisering als iets puur progressiefs, want door de mensen zelf gekozen. Nu
lijkt het er veeleer op dat de halve wereldbevolking gedwongen wordt te
nomadiseren, van de Afrikanen die samentroepen in Mauretanië en Senegal om
naar Europa te zwemmen tot de arbeiders van Volkswagen-Vorst. Maar
zelfgekozen of gedwongen, het doet er niet veel toe: zelfs zij die gedwongen
worden, moeten zichzelf nog altijd eerst in beweging brengen. Wie blijft zitten,
riskeert te creperen. Maar ook onder diegenen die in beweging komen, vallen
ontelbare slachtoffers.

Verwar de chaohybride, de bastaard-nomade, niet met iemand die lijdt aan het
meervoudig persoonlijkheidssyndroom (MPS, tegenwoordig Dissociatieve
IdentiteitsStoornis DIS genoemd). De bastaard is geen Dr. Jekyll & Mr. Hyde.
De MPS (althans niet zoals hij klassiek wordt beschreven) leeft niet in de tijd.
Hij heeft twee of meerdere permanente  persoonlijkheden die zich niet
ontwikkelen, maar zich steeds herhalend afwisselen. Die persoonlijkheden
hebben geen onderlinge verbinding (ze zijn ‘gedissocieerd’) en bevruchten elkaar
dus ook niet. Ik twijfel er wel aan of MPS’ers wel echt bestaan: misschien is het
een illusie van de psychiaters. Een Hollandse MPS-specialist noemde ooit
Fernando Pessoa, de Portugese schrijver die onder een honderdtal heteroniemen
schreef (waarvan drie wereldberoemd zijn geworden: Alberto Caeiro, Ricardo
Reis en Álvaro de Campos), simpelweg een geval van meervoudig
persoonlijkheidssyndroom. Blijkbaar was deze geleerde niet op de hoogte van
het feit dat die heteroniemen met elkaar correspondeerden, kritiek gaven op
elkanders werk en elkaar voortdurend aanmoedigden. De hybride, de bastaard,
de nomade leeft in de tijd: hij verzeilt van de éne ‘persoonlijkheid’ in de andere,
en die andere is niet denkbaar zonder die éne, al is ze niet zomaar afleidbaar of
voorspelbaar vanuit die éne. De bastaard legt een traject af, zoals een student
tegenwoordig een studietraject aflegt en een werknemer begeleid wordt in zijn
of haar loopbaantraject. De verschillende persoonlijkheden van de bastaard
leven dus niet in een dissociatie vredig naast elkaar, maar volgen elkaar op. Een
terugkeer naar een vorige persoonlijkheid is nooit een echte terugkeer, geen
herhaling of kopie, maar een bewerking ervan. Het punt (of plaats of moment)
dat wij allen zijn en waarop verschillende logica’s inspelen, is dus geen vast punt,
maar een tijdelijke vorm. Wij zijn een soort wind die nu eens gaat liggen en dan
weer de vorm aanneemt van een wervelwind. En zelfs wie tegenwoordig op
pensioen gaat leeft verder als een wind, tot hij of zij begeeft.

We mogen de hybride ook niet zien als iemand die een zaak vanuit verschillende
perspectieven bekijkt en op basis daarvan zijn of haar handelen tracht te
bepalen. Uiteraard is het doorgaans aangewezen één en ander vanuit zo veel
mogelijk invalshoeken te benaderen. Maar het gevaar is wel reëel dat je daarbij
verzeilt in het immobilisme waaraan onze God al ettelijke millennia onderhevig is
en waardoor hij dus lijdzaam moet toezien hoe zijn mensen elkaar uitmoorden:
noemde de filosoof Alfred Whitehead God niet het wezen dat de wereld vanuit
alle perspectieven kan bezien? Inderdaad: wanneer iemand een zaak vanuit
meerdere standpunten gaat begrijpen, riskeert hij te vervallen in
besluiteloosheid en zich afzijdig te houden. De handelingen die met de
verschillende perspectieven verbonden zijn, blijken onverenigbaar met als
resultaat dat de persoon zich in zichzelf terugtrekt en tot geen enkele
handeling kan overgaan. Als je je kan inleven in de ideeën van elke politieke
partij en hun waarom, zal de neiging groot worden om bij verkiezingen blanco te
stemmen of gewoon thuis te blijven. De keuze om niet te handelen kan natuurlijk
ook als een vorm van handelen worden geduid, maar in wezen betekent het dat je
niet participeert aan de sturing van de maatschappelijke ontwikkelingen en dat
je de zaken gewoon op hun beloop laat. De hybride moeten we echter niet zien
als iemand die zich op één en hetzelfde moment geconfronteerd ziet met een
veelheid aan handelingsmogelijkheden. Veeleer is hij iemand die wanneer hij zich
in de tijd in een nieuwe positie bevindt, gemakkelijk zijn meningen en zijn
handelingen zal herzien, als was hij iemand anders. De bastaard kan tegelijk veel
personen worden, maar hij is nooit meerdere personen tegelijkertijd.

De hybride is geen ruimtelijk gegeven, hij is geen wezen dat op een bepaalde
plaats ‘is’. Hij is een wezen dat wordt in de tijd. Hij is een reiziger. In de
postmoderne wereld worden wij allen reizigers die bewegen van de éne plaats
naar de andere en op die manier op die opeenvolging van momenten de wereld
vanuit verschillende elkaar opvolgende standpunten zien. En op elk van die
momenten handelen we vanuit het standpunt dat we op dat moment innemen. In de
mate dat de hybride zich niet laat bevriezen door zijn herinnering aan vroeger
ingenomen standpunten is hij helemaal niet besluiteloos, verlamd of
maatschappelijk impotent. Een reis is ook iets helemaal anders dan een
ontwikkeling of een evolutie waarbij in een rijpingsproces een eindvorm, een
bestemming wordt bereikt die reeds in de kiem aanwezig was. Evolueren is het
actuele bekijken in functie van de reeds afgelegde weg en van de nog af te
leggen weg. Het is een leven in het verleden en in de toekomst, een vervreemding
van het hier en nu. De reiziger echter verliest zijn tijd niet met steeds achterom
kijken, noch blikt hij (te) ver vooruit. Hij geniet van het onderweg. Van een kind
verwachten we tegenwoordig ook niet meer dat het zich ontvouwt tot wat het in
zuivere aanleg zou zijn of dat het een ouderwens als een blauwdruk realiseert:
nee, het kind wordt verondersteld onderweg kansen en opportuniteiten te baat
te nemen.

De reiziger (zij het geografisch, zij het experiënteel) overschrijdt voortdurend
grenzen, veeleer dan dat hij opbotst tegen limieten. Dit geldt overigens ook voor
postmoderne organisaties: zo verlegt de Staat tegenwoordig zeer gemakkelijk
zijn grenzen zowel naar de eigen burgers toe (b.v. via antiterrorisme-
wetgevingen, die het privacy-begrip en de burgerrechten herdefiniëren zoals in
Bush’s Patriot Act) als naar andere Staten (de verruiming van het recht
economisch of militair tussen te komen in de aangelegenheden van andere landen).
Grenzen verwijzen tegenwoordig niet langer naar een scheiding tussen een
‘binnen’ en een ‘buiten’. Grenzen zijn geen lijnen meer die je niet kan
overschrijden, maar integendeel lijnen die ontstaan precies omdat ze
overschreden worden. In die zin is er geen binnen en buiten meer en de notie van
een strafbare transgressie vervalt. Alles krijgt de gedaante van een
veruitwendigd veld. Al op het einde van de 19de eeuw werd onze innerlijke
ruimte verwerkelijkt in onze leefkamer, die sindsdien niet voor niets ons
interieur wordt genoemd. Onze herinneringen liggen niet langer besloten in een
geheugen ergens in ons hoofd, maar hangen aan de muur als kaders, staan op de
schouw als postiches en liggen vastgeplakt in fotoalbums allerhande. Het leven in
de postmoderniteit is geen besloten herhaling meer van steeds hetzelfde, maar
een openheid: het bewust zoeken van of het met tegenzin overvallen worden door
iets nieuws.

Het verval van de grens tussen binnen en buiten impliceert dat ons wezen niet
meer gegrond is in limieten die we niet kunnen overschrijden of in drempels die
we niet kunnen overstijgen. Tegenwoordig is het bijvoorbeeld geen probleem
meer om van geslacht te veranderen en in die zin is ons mannelijk of vrouwelijk
geslacht eigenlijk niet langer de basis van onze identiteit (in de zin van het
toebehoren tot een soort of een klasse). In de mate dat alle limieten grenzen
worden die precies hun betekenis lenen aan het feit dat ze overschreden
(kunnen) worden, raakt elke grond van onze identiteit uitgehold. Een man kan
probleemloos een vrouw worden, een arbeider een bediende, een vreemdeling een
ingezetene, enzovoort. De scheidingslijn tussen minder- en meerderjarigheid
verliest haar betekenis en de leeftijd van 65 jaar als grens tussen actief en niet-
actief beantwoordt niet langer aan een maatschappelijke realiteit. Alle pogingen
om grenzen te sluiten (bv. door het voorzien in specifieke identiteitspapieren
voor vreemdelingen of door het vastleggen van een nieuwe pensioengerechtigde
leeftijd) getuigen eigenlijk van het gegeven dat deze grenzen bijzonder vluchtig
zijn geworden. Het woord identiteit krijgt trouwens de laatste jaren een
ruimere logische betekenis. Het slaat tegenwoordig niet zozeer op de eigenheid
van een element (bv. Icha is een Eskimo – excuseer: een Inuk! een lid van de
gemeenschap van de Inuit), maar op de inhoud van de klasse of categorie die als
geheel dreigt verloren te gaan: de identiteit van de Inuit. Maar die
betekenisverschuiving maakt niet veel uit: telkens als we het woord ‘identiteit’
gebruiken, gaat het over iets dat de betrokkene eigenlijk niet heeft of als hij of
zij het heeft, het dreigt te verliezen.

Wij worden inderdaad stilaan volkomen identiteitsloos in de zin dat we niet
langer een specifiek geval zijn van een soort of een klasse. We worden
enkelvoudig (singulier), een simulacrum, een ‘kopie zonder model’ (via een
productieproces dat Brian Massumi ‘simulatie’ noemt) en tegelijkertijd een soort
op zichzelf, een ‘model zonder kopie’ (via een proces dat Massumi ‘fabulatie’
noemt). Wij worden een voorbeeld van niets meer dan onszelf als singulier,
enkelvoudig geval. De naam ‘zuster’ in Zuster Monica staat bv. niet meer voor
een congregatie van zusters: niemand weet wie de zusters van Monica zijn en
niemand is er ook in geïnteresseerd dit te weten. In plaats van een individu op
basis van een specifieke identiteit worden we een ‘dividu’ dat zich weliswaar
affirmeert maar tegelijk ook steeds verder opdeelt. In de mate dat we als
enkeling een soort op onszelf vormen, verliezen we onze identiteit als
ondeelbaar element (in-dividu) van een klasse of soort. Onze eenheid verwijst
niet langer naar een eeuwige vaste kern maar naar een toekomst waarin ons
wezen gecoördineerd wordt met andere wezens in de kristallisatie van steeds
nieuwe collectiviteiten en ons verschil met anderen verwijst naar een verleden
waar we samen met anderen een gemeenzame collectiviteit vormden. Elke grond
van onze identiteit is verloren gegaan. We zijn vrij, beweeglijk en zonder
bestemming. Het individu dat we voorheen waren, verrees op het scharnier
tussen onze identiteit als specimen en onze identiteit als soort. Het ‘dividu’
verschijnt evenwel op het scharnier tussen het enkelvoudige en het voorbeeld.
Het gaat niet langer om een element dat zich als een object met een vaste
gedaante in een reeks herhalingen repliceert, maar om een gebeurtenis die zich
vanuit een ‘niets’ openbaart en aan een onvoorspelbaar traject begint, een
traject dat alleen vanuit zichzelf, vanuit een subjectiviteit kan begrepen
worden. Een reis dus. Op die reis worden we voortgedreven door een hunkering
en een verlangen, maar zonder oogmerk dat aan die hunkering voorafgaat. Zoals
gezegd: zonder doel, zonder bestemming. En Brian Massumi stelt terecht: dit is
pure fear! Maar in 1974 zong John Cale reeds: ‘Fear is a man’s best friend’!

De bastaard, de hybride is dan niet langer een kruising tussen twee soorten,
maar een enkeling waarin het globale geheel van mensen’soorten’ of –categorieën
voortleeft (en in die zin vernietigd wordt)
in een volkomen nieuwe en éénmalige nooit geziene gedaante.

U zal onmiddellijk zeggen: die richting gaat het toch niet op. De globalisering
lijkt eerder te verzanden in een heropleving van nationalismen en
protectionismen, van benadrukking van etnische egoïsmen en van allerhande
corporatismen. We slagen er zelfs niet de Europese gedachte op een hoger
niveau te tillen, integendeel. Misschien omdat we weten dat het Europese spoor
als een simpele uitvergroting van het nationale gegeven geen echte uitweg biedt.
En de schrik voor het onbekende drijft ons er natuurlijk toe ons krampachtig
vast te klampen aan dat wat zekerheid biedt. Maar met krampen geraak je niet
vooruit. En bij krampen kan je gevaarlijk in het rond gaan schoppen, zoals we in
de jaren 1930 hebben gezien. Maar in het besef dat het bekende alleen maar
zekerheid lijkt te bieden zullen we op termijn niet anders kunnen dan nieuwe
wegen te bewandelen.


(12-28 december 2006)

(geplaatst op 19-12-2007)

Meer over Eric Rosseel op zijn websites:
http://ericrosseel.blogspot.com
* HEUREUX COMME AVEC UNE FEMME *
Netwerk Psychiatrie & Samenleving
http://psychiatrie.blogse.nl

terug naar boven
© 2002/ 2007 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.