HOE SCHRIJFT MEN POEZIE ? Lexicon voor een
"eeuwig" beginnend dichter (3)
door Henri Thijs











GEDULDIG HET HUIS VAN HET WOORD BOUWEN

en telkens als de sierlijkste der herfsten
mij aan de rand van de wind een onderkomen bood
en ik in eigen beven soms te wonen waande
vermoedde ik in vreemd en beeldschoon ruisen
een huis om eeuwig dakloos in te zijn.
(Luuk Gruwez)

Een dichter moet zichzelf allerminst au sérieux nemen, maar opdoeken tussen
de lijnen van een fait divers.  En bovendien zijn gedichten expliciet opvatten
als een zoekspoor naar begrip in het woud van het bestaan.  Zo alleen ontstaat
de mogelijkheid om een psychische osmose op te starten in de ruimte van de
geest die zowel vraag- als uitroeptekens zet bij het schrijven.  Vraagtekens
achter het evolutief proces van de steeds wisselende stand van zaken als een
trapsgewijze overwinning te bezien; uitroeptekens om de verrukking die deze
stelselmatige veroveringen met zich brengen.  Zijn poëzie is dan ook geen
poëzie ‘tout court’ maar een fysisch instrumentarium, een metaphysisch
sleutelgat waardoor hij/zij – die geen dichter, maar een ‘denkend diener’ hoort
te zijn – gluurt naar de treden van de  trap die hem brengen moet naar de
hoogste verdieping van het psychisch universum.  Dan is zijn woord ook geen
schakel in de ketting van de taal, knarsend van lyrische ontboezemingen, maar
een gigantisch, kosmisch huis galmend van geduld met een klankrijk en
zuiverend trapportaal op weg naar de weelde van begrijpen en horen, zien en
weten.  Dan is tenslotte de bewoner van zulk een huis ook een uiterst geduldig
wachter bij het verdriet van zijn gemis die maar één betrachting kent “met
zijn oorsprong één te worden”.  De dichter die verkiest met een dergelijke,
obsceen lijkende opdracht te gaan wonen in lengten van dagen, kan beslist geen
romantisch dromer zijn die slechts interesse toont voor “l’art pour l’art” maar
moet een profetisch idealist zijn, sterk doordrongen van het metaphysisch
besef te weten waar hij delft en staat en met een even scherp geestelijk
perceptief gevoelen dat zijn plaats op het schaakbord van de tijd precies
bepaalt.  En in die hoedanigheid van “idealist van de taal” creëert hij dan
ontegensprekelijk zijn poëtisch oeuvre dat langzaam maar zeker de allure
verwerft van een uitgesproken “spiritistisch pamflet”.
Opbeurend wordt het dan wel te kunnen grasduinen in zulk een tuin vol
diepgaande uitspraken en te ervaren hoe men onwillekeurig deelgenoot wordt
van een niet te ontkennen pelgrimstocht naar het “weten” en het “licht”.  Al van
bij de aanvang kan men zich dan niet ontdoen van de idee zich onweerlegbaar
te bevinden binnen de welopgetrokken muren van een voldragen en diep
doorleefde boodschap.  Een auteur bouwt zeer bewust met de stenen van het
woord zijn huis tot het leeg decor waaruit in feite alles is gevlucht.  Die
boodschap blijft aanwezig als een echo die hangen blijft aan de zoldering van
de herinnering en het verleden.  Ze is ook de galm die het geluid van elke stap
begeleidt in dat huis van zijn eenzaamheid.  Ze kleeft aan de klankrijkdom van
zijn taal en zeeft, filtert ze ook voortdurend, beducht als ze is voor alle valse
onreinheden en wansmakelijkheden die het goed begrip van haar inhoud zouden
kunnen omfloersen.  Vandaar dat haar  grootste bekommernis ligt in de
betrachting naar allergrootste eenvoud van haar wezen.  Deze niet aflatende
zorg om eenvoud in stijl en uitdrukking hoort parallel te lopen met de zin van
de boodschap zelf die de mens ziet als een “zuiver te houden medium” op weg
naar het summum van de volmaakte “ascese”.  Deze duidelijk paragnostische
ingesteldheid is het kleed dat een auteur in al zijn verzen moet dragen.  Dat
hier Zen en het Boedhisme, de m:ystiek van Ruusbroec en Gezelle niet ver af
zijn is op zich helemaal geen bezwaar.  Integendeel hun ideeëngoed vormt de
achtergrondmuziek van de reeds geciteere zoektocht naar volmaakt ascese.  
Ze bepalen er ook het ritme en de melodie en de noodgedwongen verbinding
tussen de verschillende fasen en episoden die in feite samenvallen met drie (het
heilig getal der sferen?) trappen:  deze van de natuur en de wereld, vervolgens
deze van de mensen, tenslotte deze van de verheven, metafysische roeping
(hemel).  Een duidelijke structuur dus, zonder deze in het minst te zijn.  Een
scherp aangevoeld beklimmen van de treden van een psychische trap zonder
deze te kunnen visualiseren.  Het duidelijk doorkruisen van verschillende
landschappen zonder merkbaar van decor te veranderen:

Dit landschap: zwijgend
’n stilleven dat vlammen
verbergt.
(Roland Jooris)

Zo ervaart men deze drieledige transmutatie in de poëzie als een zacht
verglijden op het water van verdriet en pijn, zonder te moeten roeien, noch
enige andere fysische inspanning te moeten leveren.  De stille zwerverstocht
gebeurt a.h.w. buiten de mens om en dank zij , ja zelfs ondanks, de mens als een
voorbijgaand eindig “mare nostrum”.  
De eerste trap, voor zover het rangtelwoord hier zin heeft, is het ruimtelijk
fysisch reliëf waarin het menselijk denken noodgedwongen zijn wortels heeft.  
Het vormt het biologisch koloriet van de menselijke serre waarin de vragen
rijzen en bloeien en doen openbarsten de pijn van het zaad, dat aan het zoeken
van de geest zijn voldragen rijpheid dankt, maar ook de pijn bewaart tussen de
plooien van de seizoenen en … herhaalt met de regelmaat van een klok, zodat
het de schors doet barsten van het nederig, humaan geduld.  
Vervolgens is de wereld ook het natuurlijk museum waar het menselijk geduld
waakt in de seizoenen en nodig aan een loutering toe is, ten einde te groeien in
de rijpheid langs de ervaringen uit het verleden naar de latere uittreding vol
genot en vreugde.  Met geduld wordt het huis van het woord gebouwd en zalft
de tijd het wachten en het trachten van de menselijke psyche, die eerst zijn
weldoordachte standplaats moet kunnen verklaren temidden van de kosmische
realiteit.  Tijd is de leermeester van de natuur, de vermanende vinger naar de
nog niet ontwaakte doler, huizend in de mens:

Aan het einde van zelfbehoud
sta ik, fixeer een gouden ogenbik
delf in de bewaarkelders van de tijd
naar een smaak voor de eeuwigheid.
(Gerda Berckmoes)

Tijd is ook de hoeder van het zaad, de bewaarkelder van de oerkrachten
aanwezig in de vruchtbare korst van de aarde, die de hernieuwde krachten van
de ontdekking uitstrooit tussen de gewone dingen van het dagelijks bestaan:

Het bestaan, gelijk maïs, korrelde weg in onverzadigbare
silos van de vergeefse daden.
(Pablo Neruda)

Uit zijn natuurlijk kader plukt de mens weliswaar vruchten van pijn, omdat hij
zijn oorsprong niet kan verloochenen, maar terzelfdertijd vervult dat milieu
de rol van wachtkamer voor de ontluiking van de geest, hier of elders.  Het is
dus goed en zinvol zijn kleine aarde te spitten:

Kon ik maar worden als de aarde,
zo woordenloos, zo allesomvattend,
zo alles van alles
en niets van niets
wetend.
(Remco Campert)

Het is zinvol ook de ballast van de aardse onverschilligheid “ als een
uitgedroogd verdriet” tot aan het einde te dragen om naar de mensen te kunnen
gaan die uit die aardse bronnen het water van zachtheid en goedheid hebben
geput voor het lessen van de dorst naar hunkering en verlangen:

Maar ik zal verlangen dat je er bent,
zodat ikzelf er niet meer hoef te zijn.
(Claude Van de Berge)

Ahasverus, alias de dichter, kan dus naar de mens gaan of beter wachten in
zijn trapportaal tot de mens komt tot hem vermits hij voorbereid is op zijn
komst:

Met moet de ogen kunnen sluiten
in het licht
en ze openen in het donker,
wachten.
(Pablo Neruda)

Het zuiveringsproces dat met deze ervaring gepaard gaat zal nu stilaan
mythische proporties aannemen en aanleiding geven tot gevoelsvolle
ontboezemingen die eigen zijn aan het nieuwe betreden domein.  Het verlangen
zich deelgenoot te weten van een analoge menselijke hunkering stemt de
klankrijkdom van een nieuwe taal die openbloeit op een veld van verrukking:

Voorwaar, roei mee in de veerboot van mijn verzen,
tegen de golfslag, het zelfbedrog van zinnen,
opdat wij langs de toonladder van de tederheid
het volmaakte geluk mogen bereiken.
(Christiaan Germonpré)

Maar de asceet moet alert blijven voor elk nieuw teken aan de wand der
bezinning.  Hij weet – en daarin schuilt een tragische ondertoon – dat ook deze
nieuwe rijkdom, hoe schitterend ook en prachtig gesublimeerd, alleen maar
functioneel past als een mooie loper op de trap naar zijn trage, definitieve
opgang, een trap die schrede per schrede, voetje per voetje, moet worden
genomen, zonder gerucht noch schroom.  Met zich mee neemt hij alleszins de
diepe verworvenheden van die wederzijdse uitwisseling van gevoelens, omdat
zij hem hebben getekend en vertekend in het licht van de ultieme opdracht
waar zijn geest met alle krachten aan werkt:

Bedreigde vrijplaats, illusoir
reservaat waar de beproeving
waar het vers vertraagt en
standhoudt als een ruggengraat.
(H.c. Ten Berge)

Zo voelt hij dan, gestroomlijnd door die rijke ontmoeting met een soortgenoot,
het afscheid nabij, wetende dat hij zijn graf zoekt bij de moeder die hem
baarde.  Gerijpt door dit vruchtbaar contact in zijn opgang naar zijn
definitieve bestemming weet hij nu:

Ik kan nu naast je gaan
vraag nu geen schouder meer
geen loopren
of geen krukken meer
geen heimwee
of verlangen
mijn navelstreng is losgemaakt.
(Jef Vriens)

Maar ook dit afscheid is nooit brutaal, maar een langzaam groeien uit de
schaal zonder deze te breken; een metamorfose die pijnloos en zonder
scheuren verloopt, maar stoeit op nieuwe verworvenheden van de geest.  Dank
zij de evenmens, de platonische ontmoeting, de wederzijdse aanraking van het
lot, weet hij zijn positie te bepalen, doorleeft hij zijn opgang naar het licht, is
zijn begripsvermogen een vruchtbare grond geworden, waarvan hij de nieuwe
bloemen plukt:

Geurloos en vaal zijn de bloemen
voor wie een weide beschouwt
als een verwaarloosd gazon.
(Maja Panajotova)

Eens die stap gezet voelt de eenzaamheid zwaar aan en weet de auteur geen
blijf meer met zichzelf en zijn verdriet.  Het vertoeven in de wol van
geliefden, de strelingen van een bete brood voor het hart, de zelfvoldane
bevrediging van zich tussen soortgenoten te weten, kortom het ingekapseld-
zijn met anderen, met hun vlees en bloed en tranen, met hun lot, gaf hem het
illusoir gevoelen beschermd zijn door de kokon van het ras en de warmte van
een gehoor zo nodig voor zijn monoloog:

weet ik dat wij wereldwijd
sedert lang niets anders hoorden
dan veel sprakeloos gemis.
(Wilfried Vancraeynest)

Nu staat hij ineens “leeg en droog”, de tranen opgesloten achter sluizen van
verdriet en hij schrijft en schrijft en vecht met zichzelf en vindt geen rust:

Het missen van die laatste rust
niets is zo desolaat –
dier, dat gedood en onbegraven
liggen blijft op straat.
(Elly De Waard)

Dan neemt hij maar weer het vers op als pleister op de wonden:

Wonden zijn onze hel
schoten in de roos van vertwijfeling,
voltreffers van angst
pijlen van pijn.
(Jana Beranová)

Zo komt dan inderdaad de ultieme trede in zicht en is de  apotheose, het
steeds groeiend rijpingsproces van de geest naar het begrip toe, ineens een
schijnbaar feit:

Hier in de Hadès vind ik je
jij andere helft van mijn ziel
en samen helen wij
de wonde van gebroken zijn
(Jef Vriens)

De opgang naar de uiterste metafysische beleving is nakend.  In het
rijpingsproces heeft de geest weeral een vel ervaring afgeworpen.  Een nieuw
glimmend festijn staat te wachten, maar alles is nog niet volbracht. Er wacht
nog een nieuwe fase van loutering die op een hoger plan weliswaar de opgang
trager maakt, ja zelfs soms doet ervaren als stilstand of als een averechts
gebeuren, een afdalen dus op de trap naar de uiterste beleving.  Hoe het
menselijk deemoedige, het lichamelijke of biologische omhulsel van de geest
hier soms teleurstellend op reageert, doet bij een dichter in het algemeen de
mooiste verzen onstaan, waarin het eenvoudig hunkeren en zeker reeds het
besef weet te hebben van die hogere bestemming waaraan de geest doktert,
een uitdrukking vinden.  En weer moet hij op dat sublieme ogenblik, alhoewel
op een hoger platform van de geestelijke rijpheid, teruggrijpen naar zijn
oerbron de aarde en in het seizoensdecor de kleuren zoeken om zijn opgang te
definiëren.  Het ligt dan voor de hand dat het de herfst is die het meest in
staat is zijn positie te schilderen met de kleuren van het wachten:

Spin van de herfst,
wiegend web van honderden het verlangen
te worden uitgezogen door de tijd,
is de dood wel een koning zonder rijk?
(Henri Thijs)

De mens als verwerkelijker van de opgangsritus van de geest en als betaster
van de zin van het bestaan, is en blijft in die taak de eeuwige twijfelaar:

Zo staan wij sprakeloos voor iedere prent
Voor iedere kermistent van oude dagen
Met even oude vragen
waarop de klok geen antwoord kent
dan dat haar uur niet wordt geslagen
(Gaston Burssens)

Vandaar dat de trap waaraan hij bouwt en de treden die hij betreedt in zijn,
“dit” leven, geen finale bestemmingen krijgen, maar een gewis onzekere
toekomst voorspellen, omdat ze een ontwikkelingsfase concretiseren van de
psyche of de geest die niet van de aarde is.  Deze ascetische trap kan ook niet
worden gesitueerd noch gesuggereerd in een koud, stenen huis op de
weerbarstige grond van een voorbijgaand aards territorium.  Het is een huis
dat ten dienste staat van de psyche en dus half aarde, half geest, een gebint
van de adem is, m.a.w. gebouwd wordt met het geduld van het woord dat in de
mens uit de oerbron van de aarde stijgt om te communiceren met de geest “die
het licht is dat zijn schaduw vervaagt”.  
Hiermede is het werk voltooid, is de poëzie ontsproten op een akker van
begrijpen en kan de dichter rustig zijn pen neerleggen en zachtjes prevelen:

als straks de wind
wat schraler wordt
en het roodborstje
dichter bij ons huisje kruipt,
als dansende treinen
over de bomen rollen
in witgevroren winterlucht
en het kraken van het ijs
de koude stilte breekt
dan wacht ik stil
en ingetogen
en leg mijn wortels
naast die van de bomen

alles rust
en in mijn handen
bloeit de toverhazelaar
heerlijk geurend geel

(Jef Vriens)

(geplaatst op 22-04-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.