GEDICHT VAN ERIC ROSSEEL (15)

WAAR IN DE TOORN GODS IK WOON

(soms herinner ik me nog caroline et les autres
en de dieren in het woud)

waar ik woon is het geen stad
waar ik woon is het geen Nazi-Lager
waar ik woon is het geen huis

nee voor mij geen wereld vol
bezoekers van glazen straatjes binge drinkers
of het-is-elke-dag-nieuwjaar feestvierders
al evenmin een plaats waar ieder moment
aan morgen en overmorgen wordt gedacht
en men haasje-over springt
kinderen op hobbelpaarden naar elkaar wuiven
in het
goudblommeke van papier

de 21ste-eeuwse dada wordt gesticht
ik scherts ik hou eerder de adem in
metafysica en nanotechnologie zijn
niet aan mij besteed
van het zuivere zijn en het schone
heb ik geen middeleeuwse manuscripten gelezen
al ruist hadewych in mijn bloed
de ware dan
zij die Hem schouwde waar Hij niet toefde
wandelend over het water van het vierwoudenmeer

ook niet een onschuldig kamp dus
waar ik tussen gestapo’s vopo’s en muzelmannen
verloren loop in reukloze bossenlucht
en dennen die hun eigen naalden vervloeken
helga de wolvin der ss
mijn dijen openspert
in mijn endeldarm speurt naar sporen van coke
en op zondag boterkoeken bakt in ’s lands beste ovens
boven alle ingangen jedem das seine kalkt

daarvoor ben ik te menselijk tegelijk te onmenselijk
niet onwetend slapend als doornroosje
temidden nachtegalen en klaverblauwtjes
of zonder onsterfelijke ziel of falend geweten
nooit onder gilles de rais of de markies geleden
van georges bataille enkel op websites gelezen
aan alle bartholomeusnachten ontsnapt
zij het op kousenvoeten
en bij pogroms aan elke mogelijke zijkant gestaan

en nee ik woon niet thuis
geen aardappelkelder om in te schuilen
geen bloemgordijnen om dicht te trekken
rook geen sigaren in het salon
mijn schoonmoeder vraagt me niet het onmogelijke
en mijn kleinkinderen spelen niet op nintendo
niets of niemand huppelt rond met iphones
of vervelende finse varianten
lakens noch bad geuren naar lavendel

daarvoor ben ik teveel niets of teveel een ander
wiens naam ik al evenmin ken
mijn voordeur staat nooit open
want een deur heb ik nergens

waar de luchtverversende goden
als visioen als in een wolk
afdalen van hun hoogste berg
mij de helmboswuivende
influisteren hoe ik mijn geoliede speer
moet werpen midden Hektor’s borst
mijn nooit gedrenkte pees afschermen
tegen die vogelverschrikkende blik van Paris
en Phaëton de hemelen splijt
de populieren Lampetia en Phaetusa rouwen
ook Boeddha mantra’s prevelt
en de handelaars over de zijderoute heen leidt
in de beste van alle mogelijke werelden
Marx en Engels verzinken in de manifesten
terwijl Helena Andromache en Astyanax
hun zielig wezen ontnomen wordt
in de woestijn geen verslaving vinden
aan water of zalige eenzaamheid
de natuur alle diversiteit verliest
en het getal twee zich toont
als eindeloze bliksem en donder
de toorn gods ik ben de toorn gods
ik ben die ben

een lichaam naakt en onbehaard
liggend op onbegane grond
als een zedig wulps schildersmodel
mijn nieren berichten mijn lever
en mijn lever mijn kleine hersenen
in een paradijs waar vóór tijd en ruimte
nog een beet in appels mag worden gezet
een hier zonder daar of ginder
een sleutel zonder slot
simpel lengte- en breedtegraad
op een oude ptolemeïsche kaart van ultima thule
koper en barnsteen wordt met ijver gedolven
kinderen verrimpelen er tot grijsaards
en kaïn slaat abel het hoofd niet in
geen teken op mijn voorhoofd
niets in de handen niets in de zakken

een lichaam liggend tussen morgen en avond
tussen vochtige zomer en winterse sneeuw
maar zonder horloge of atoomklok met gps systeem
geen ochtenddauw die rond 8 uur al verdampt
of middagen waarop de school uit spijbelen gaat
en moeder in de fabriek de ploeg van vader wisselt
ik lees in de vleugelslag van gieren en leeuweriken
de stormen van de komende tijden niet
en herinner me niet waar ik ooit eens
op sint-juttemis de mosterd heb gehaald
van mij zijn geen digitale foto’s gemaakt
en zwetend onder de polygraaf heb ik niet gelegen
nooit gelogen dus over waar ik was
dinsdag 14 november om middernacht
en haar genadeloos het mes in het hart stak
de toorn gods over de werelden bracht

mijn ogen zien niet meer
mijn oren je raadt het
lijf zonder masker – niet temidden van
hangend eeuwig tussen embryo en levenloos lijk
zonder spiegel waar ik anderen ontmoet
dor te grazen genomen
toch is het sterven als offer
me niet gegund
vogelvrij als de weerwolf

exegi monumentum aere perennius

(ik herinner me caroline et les autres
noch de dieren in het woud)

(25 november 2007)

http://ericrosseel.blogspot.com
* HEUREUX COMME AVEC UNE FEMME *
Netwerk Psychiatrie & Samenleving
http://psychiatrie.blogse.nl

(geplaatst op 20-12-2007)

Lees nog meer gedichten van deze auteur op deze site:
klik hier!

De auteur publiceerde ook twee volledige NetBooks nummer 47 en 48 bij Het Prieeltje
Online!

terug naar boven
© design 2002/ 2007 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webmaster: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het
Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site
kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.