GEDICHTEN VAN ERIC ROSSEEL (13)

TIEN GEDICHTEN VOOR TANJA

I.

gordijnen

ik had geen keus
mijn buurvrouw was een heks
die mijn venster besmeurde met olie en pek
het lag niet aan de vorm van mijn hoofd
het lag aan de haren van die heks
of aan haar bezemsteel

een inheemse wereld omsingelde
wat me aan dromen bijgebleven was
de schaduw van het licht
was afgevoerd naar een ontwenningskliniek
de kleuren geboeid
muziek over de grens gezet

in huis keert nog een plant haar gezicht
naar het park en de katten spelen gitaar in de nacht
de vrouw die me
haar onderwereld schenkt
kookt met haar lippen
in taartvorm een geurige zonsopgang

we leven in onwetendheid
die zonder stramien vreemde gordijnen weeft
ons geheugen schuift open en dicht

(11 juni 2007)


II.

dat je een vrouw bent

de uren dragen kwetsuren
dat je een vrouw bent
die over water loopt
en skeletten verzamelt
in een geërfde boekenkast
je gezang draagt stenen
en onbeantwoorde brieven
naar oevers die ik niet ken

een geheim verschuilt zich
in een sleutel
waarmee anderen
slaven dompelen in je lot

kinderziekten houden me uit mijn slaap
en dat de val weer dichtklapt
voor alle dieren die ik rijk ben
de moeder is weer waar ik haar niet vind

mijn mond oefent reeds het zwijgen
met de uren die me verzekeren
dat je een vrouw bent
die in de vreemde gestorven is
temidden je skeletten
en open gesneden lijken
onder de dekens
plan ik een nieuwe dag

zonder ja of nee

(12 juni 2007)


III.

huwelijkstrouw

waar de mens is
gevallen uit palmbomen
ploeterend in riet dat niet buigen wil
fragmenten die
op verloren straathoeken
om de haverklap sms’jes sturen
naar nummers zonder ogen
zonder wenkbrauwen die fronsen

ik heb de nacht gezien en ze is dag geworden
draagt nu je naam
en al het web dat je naam
weeft zodra de dauw braakt
in het rottend zonlicht
en mijn poezen hun schuilplaats ruilen
blij dat geen hond in de buurt is
die blaft als haatdragende vliegtuigen

ik heb de nacht gezien en ze is dag geworden
en de mens is gevallen uit palmbomen
poogt met hars de brokken te lijmen
strompelend door de straten
zonder groet voor de andere kreupelen
daar is de mens en ik zie hem niet
het is een vermomde vrouw die
leeft van slijm en smurrie

clowns poppen en marionetten
het theater kent geen knelpuntberoepen
ik sluit mijn venster en huw
zoals elke avond als de schemer
hun gezichten genadeloos uitgomt
de nacht, die nacht
en ik streel haar borsten
zij die mij haar minnaar noemt

het duister vult zich met stomme tv-beelden
met de standby’s van de cd-player en de koffiezet
en de fonkelende lichtjes van zwoele feromonen
de gestalte die buiten en boven
ingeslapen dorpen haar wenen hoorbaar maakt
met standbeelden en bushokjes spreekt
onwetend van wat ook niemand weet
waarover onze meesters heimelijk en wijs zwijgen

ik heb de nacht gezien en ze is dag geworden
als een mooie hysterische vlinder

(15 juni 2007)


IV.

sigarettenpeuk

het is geen historie geen anekdote
geen les over logica of de zeven wereldwonderen
het is de waarheid en haar pijn
een vlammetje die onder een lantaarnpaal
het trottoir even met geest verruimt
ik zag haar
maar voor ze zich ontblootte
was ze reeds onder massa’s folders verdwenen

ik kijk nu door een gaatje in de muur
als een vieze voyeur
niet tevreden met een aftrek
of met het schuim op mijn lippen
dolend vervloek ik de sterren
en al wat ooit op twee benen liep
en de sigaret waaraan ik zuig
trap ik dood op de zwijgende tegels

en ik wenste die sigarettenpeuk te zijn
dat ze me traag dood drukte
als een krijsende groene rups

(15 juni 2007)


V.

dof geluid van een lang gerekte middag

“Aujourd'hui, maman est morte. Ou peut-être hier, je ne sais pas.”
(Openingszin van Albert Camus’ L’Etranger)

het lijken bomen die ooit
eeuwen vruchten droegen
plus mensen met rimpels in de longen
of ladders die nergens tegen aanleunen
vandaag is al zo lang geleden
en toch wil de nacht niet vallen

tastend vergeef ik de lucht
haar ranzige kleur niet
de milde blik van de huizen
sterft in mijn hart
dat niet meer weten wil
en dooft onderaan de trap

ik ken je naam maar
je ogen zijn misschien die
van iemand die gewoon de straat kruist
en je stem het rammelend lawaai
van een tomeloze truck
het onweer huilt als

de wolf in mijn treurende kindersprookjes

(16 juni 2007)

VI.

tanja

ik weet het wel
je hebt je verborgen in de keukenkast
ik ruik de geur van je kousen
tussen soepterrine en stoompot
of zweef je tussen de armen van de luchter
dag tanja in je draaimolen
kruip nu eindelijk uit die bureaulade

wees nu maar
voor de avond die ons rest
het beeld dat je uit jezelf hebt gehouwen
dat onder de lantaarn
haar rode lippen laat gedijen
als opgewarmde aarde
kom naar me toe jij tijger

die geest aan lichaam lijmt

mijn spraakzin rooft
en ik de kern van je hersenen
zwijgzaam verdelg
tot lust en wilde haren
tover tover mij
wat ik uit mezelf niet bedenken kan
en jij al eeuwen tussen je plooien voedt

tanja: verzegel mij mond en oren
doe mijn ogen bezwijken
en vierendeel wat
deze wereld in raadsels hult
lees de kalligrafie van mijn borst
de laatste uitleg
het stille geruis van de begeerte

terwijl we uitgelegen
het tellen verleren

(15 juni 2007)


VII.

Ma Congolaise

(“A mes enfants que je laisse et que peut-être je ne reverrai pas, je veux qu’on
dise que l’avenir du Congo est beau” – Patrice Lumumba, 1961)

haar huid is rimpelloos blank
als een sober ontbijt en
het witte slipje van de mooiste negerin
en tussen haar borsten blinkt een navel
die verder reikt dan elke ijsbeerpool
verder dan het onderbetaalde kompas
van mijn gekste heimweeën
we schipperen maar met gammele boten
en bedrinken ons in geveinsde onschuld

zolang het weten ons maar vreemd is
en nergens op de vensters klopt

maar we speuren in de plooien
van onze zinnen dat doffe besef
dat weerbarstig zelfbeklag
die cocon van ons recht opstaand hunkeren
het kleine dat ons bindt
aan wat ons dagelijks ontbindt
en ons eten doet met rauwe handen
dat vechten voor niet weten wat
en tv kijken uit eindeloze schaamte

ons lot dat strandt op rakettenschilden
en preutse namaakzoentjes

ik zeg je ja zeg het maar luid en luider

(16 juni 2007)


VIII.

Arthur Rimbaud – Départ (Tanja VIII)

Zo: de dagen. Het roept in mij.
Zo: de kamers, de straten. Het roept in mij.
                                     Ik moet gaan.
Zo: de maten, de dames, de laten.

Genoeg reïncarnaties. Het leven, gewoon het goede leven.
                              Het Goede Leven, bedoel ik.
Wat wind, aardgas, chocolade. Een glaasje porto ook.
Ik kus al wat zich ontdoet van geld en Electrabel.

Noem het een reis. Ik zeg je: het is geen reis.
Vloek om mijn afscheid. Ik herhaal: het is geen afscheid.
Ik stap in de blauwe avond, keer niet terug.

Eigenzin is mij: onmeetbaar.
Zoals al wat kat is en zich met mij verbindt.
Zich in mij ontbindt.

Zelfs de goden schamen zich
Tegenover dat van mij.

Zij kennen, zoals de bazen en agenten
Slechts mijn naam.

(17 juni 2007)  


IX.

3 (one)liners

1.

Er zal zeker een binding zijn tussen de moeder en het kind dat ze baart. Maar
voor het kind is het wezen dat zich presenteert als dat dat hem/haar in de
wereld heeft geworpen, hoe dan ook een complete vreemde.


2.

Wat men ons geleerd heeft zenuwachtigheid te noemen, is eigenlijk het
voorspel van een orgasme (dat verboden is).


3.

Ik vertik het te leven in een wereld waarin ik mijn deur op slot moet doen uit
schrik voor een hongerige medemens die mijn ijskast wil plunderen, temeer
daar die over het algemeen leeg is.

(17 juni 2007)

X.

Zang voor de Nacht die komt

De mensenkenners: mennen één en al bende.
Met gen en zen.
Kannibalen hebben in alle hallen Walen en Mariannes ontsmet.
Zie: ze noteren en roteren.

Dat ik ooit als een dief dacht dat ze formules en recepten hadden van wensen
en wat intens is. Zon zien om middernacht: ze hebben zo’n ruisen van de zee
niet eens betracht. Vol en overvol van lege woorden die krassen in onze
oogkassen. Gelukkig trokken we van dorp tot stad met de wijze woorden van de
onderkoning uit de Elyzeese Veldenstraat: Lijd, maar laat geen sporen na!

Verkennen jullie maar de maankraters met de kaart van Antwerpen in de hand.
Ons wacht het vierkant zonder randen, het goud dat zilver is en brood dat
gedronken wordt.

Hoi, Anemi!
Wakend heb ik je brief ontvangen.
Bevangen zoals elk lief van nachtbrakers
heb ik de droom geweigerd.
Niet vroom, maar zuiver ziende.
Zoals ik beloofde.
En je geloofde. En nu looft.
We zullen roven als rovers.
De dierentuinbezoekers zullen zeggen:
ze apen apen na.

Vermoedelijk zullen ze ons gewoon niet zien.
Met welke ogen, niet?

We zullen slapen zoals nooit voorheen,
zoals gehuwden slapen vóór ze elkaars borsten hebben betast.

En zij op de autowegen, of op het vliegtuig met een ticket voor een Tibetaans
klooster, of nog op het toilet van de veertiende verdieping van Boeken- en
Boerentorens:
zij hebben geen weet.
Zij krabben aan hun reet.

Wij zullen leven als Hortense
In het land van Tijd.

(20 juni 2007)

http://ericrosseel.blogspot.com
* HEUREUX COMME AVEC UNE FEMME *
Netwerk Psychiatrie & Samenleving
http://psychiatrie.blogse.nl

(geplaatst op 19-11-2007)

Lees nog meer gedichten van deze auteur op deze site:
klik hier!

De auteur publiceerde ook twee volledige NetBooks nummer 47 en 48 bij Het Prieeltje
Online!
website auteur :
http://home.tiscali.be/ericrosseel/


terug naar boven
© design 2002/ 2007 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webmaster: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het
Prieeltje Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site
kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.