GEDICHTEN VAN JORIS DENOO

DAGEN & NACHTEN

ENCEPHALOGRAM

Het waait over Golgotha.
De wereld ligt in puin.
In de touwen hangt een pop,
zijn kroon staat ietwat schuin.

Anderen heeft hij gered, maar
eigen angst is zwart als inkt.
De honderdman wacht op een teken
dat tot nader inzien dwingt.

Dit versplinterd lichaam, haaks
op aarde, vertrekt van pijn
voor eeuwen. Stenen tikken luid:
voor wie zal de mantel zijn?

Smart priemt door de vrouwen heen.
Het wordt donker. De natte spons
wordt bij de kruik gegooid. Alleen
het wonder blijft genadeloos uit.

De vrouwen staan als zwarte vogels
aan de totem van Golgotha.
Zij bloeden. De regen kerft
en laat zijn rode striemen na.

Wonden tussen de benen.
Het hart dat aan zijn ketting rukt.
Ogen die glashard wenen
en de adem die in kelen stokt.

Alles is er voor het drama:
De wijn, soldaten, en de wijven.
De tijd gaat voor anker; de heuvel
zaait zijn kanker in hun lijven.

Azijn mengt zich met lood.
Op deze godverlaten beurse plek
wordt met klinkende munt betaald.
Beroepssoldaten drinken totterdood.

Zij ledigen vele bekers pijn.
Smart drupt uit infusen
regelrecht in 't hart.
Het is vreselijk vrouw te zijn.

En moeder van een dode man.
Aan de totem van Golgotha
staat zij als een zwarte vogel:
trillend, bang en vleugellam.

De heuvel wordt met drie gedeeld.
Goed en kwaad zijn streng verdeeld
in rechts en links. Elke man
geeft nog wat tekenen van leven.

Maar niemand kan de armen kruisen.
Hij in 't midden krult van pijn.
Hij is een vraagteken van vlees.
Dat moet dan een koning zijn.

Hij draagt de kroon
en wordt het meest gehoond.
Die van links heult zwakjes mee.
Rechts heeft al zijn spijt betoond.
Heuvel, hel en hemel.
Een staak, doornen en een duif.
Wat heet hier goed? Wat kwaad?
Straks is het te laat.

Alles smeekt, alles krimpt, alles breekt.
De dood riekt zuur. De wind smaakt
naar nat hout. Omstreeks het negende uur
geeft deze mensenzoon de geest.

De beste dobbelaar springt op.
De taken worden verder uitgedeeld.
De werktuigen om af te maken
liggen in het slijk gereed.

Wat hebben die twee gedaan
dat hun de benen worden gebroken?
Wat heeft in 's hemelsnaam hij daar misdaan
dat hem de zijde wordt doorstoken?

Zij naderen; de vogels deinzen.
Als lijden is ten top gedreven
doet het lichaam niet meer mee.
Steek die ene, breek die twee.

Daar staat een ladder in de leegte.
Daar gaapt een open graf.
Daar is een kruik verdwenen.
Het Romeins karwei is af.

Wie is verlaten, wie staat samen?
Tegen loden lucht stijgt stil een duif.
Niets gebeurt, niets verroert, niets beweegt.
Het waait over Golgotha, amen.


DE ROLLEN VAN DE DODE ZEE

Mijn heiland heeft geen engelenhaar.
Zijn licht is staal dat blikkert.
Zijn pakpapier vertoont de oorlogskleuren
en zijn tuig houdt zich vertrekkensklaar.

Dit zijn de bikkelharde dagen
waar de weekheid volle kracht vooruit
weer toeslaat, eenmaal 's jaars.
Uitkijken voor kindsheid is 't geblazen.

Ik ruik die oude wind uit bange dagen;
ik loop me donker te verbijten.
Ik kwets me weer aan kerst,
dat verdomde licht, aan engelenhaar.

Over hoofden sneeuwt muziek in scherven.
Een tochthond draagt een blauwe strik.
Door de scheur onder zijn deur waait kleum
en uit zijn muil druipt oudjaarkwijl.

Ik ben mijn eigen leger des onheils
en strooi mezelf in straten rond,
zonder te kijken, zonder echt te haten,
op de stomme wijs van Rudolfs rode neus.

Wat is iedereen weer happy en gelovig.
Overal mag het een ietsje meer zijn.
De mensheid schuift langs kassa's aan.
Middenstanders uit het wijze oosten

Reiken bekers glühwein aan en
een kerstman schatert onbedaarlijk
om de tragiek van hondenpoep.
Ik spoed me naar café Van Lieverlee.

Het licht gedempt in deze drenkplaats.
Een gatenplant onttrekt ons
aan des mensen zicht en inzicht.
Ik meer aan, veranker en verander
Zienderogen: stuifsneeuw in mijn hoofd.
Ha! Waarom geen blauwste strik gekocht,
morgen, overmorgen, voor een allerliefste
die slechts hier vanbinnen echt bestaat?

Ik zink; er groeit begrip. Mijn hoofd
zegt dingen waar ik in kan komen.
Bij iedereen ontdek ik goede wil;
ik stel mijn eigen ophanging nog even uit.

Want ik word mijn eigen kunstwerk,
praatpaal hier en nu, ik ben
verdomd bereid een kerstboom
in mijn pechstrook neer te planten.

Hef ik straks een lied aan, vloeiend?
Volg ik de parabool van ene ster, klaar?
Of kies ik voor een kogelbaan,
één unlucky strike, zo gebeurd.

Deze en vele andere gedachten
krijgen audiëntie in mijn hoofd
en in café Van Lieverlee, des avonds
voor het kerst wordt, wijl iedereen

Compleet kalkoen en cognac is.
Wat te doen? Carmiggelt is al dood,
en zuster Magnussen al jarenlang vermoord.
Wat er op zit, is nog maar een glas:

Behorend tot de orde van de scherven,
doorschijn, groot gelijk en medicijnen.
Van lieverlee kan ik nu zelfs
foie gras en susa nina derven.

De tocht naar huis is niet echt zwaar :
wind blaast mijn zeilen bol
en het dagend licht uit 't oosten
bakent in de schijn van etalages

Een brede pechstrook voor mij af.
De kassa's zwijgen stil; de drollen
van de honden kan ik waardig als een mens
ontwijken. Ja, het was een stille nacht.

Van een boom kwam niks in huis,
maar ik had wat goede wil in pacht.
In café Van Lieverlee, deze oude haven,
vond ik de Rollen van de Dode Zee

Die gewaagden van onvrede, zwarte sneeuw
en goud en wierook op de helling zetten.
De nacht werd als de straat zo oud
en buiten was het bitter koud.

Nee, mijn heiland had geen engelenhaar.
Zijn licht was staal dat blikkerde.
Zijn pakpapier vertoonde oorlogskleuren
en zijn tuig hield zich vertrekkensklaar.


Uit de dichtbundel LINKERHART van JORIS DENOO
(bekroond met 5-jaarlijkse Guido Gezelle Prijs 1999
uitgegeven door Poëziecentrum Gent in 2000)
website auteur: www.jorisdenoo.be

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.