
| GEDICHTEN VAN KATJA BRUNING (4) EEN KRING OM DE MAAN Naar Marten Toonder: 'Wie een kring ziet om de maan/ Moet niet naar de brekels gaan' Een nevelring een lichte kring rondom de maan Een fluistering is rondgegaan Wie nu in het bos gaat hoort hoe de vos praat Hij zal de taal van de dieren verstaan Onder de maankring is alles verlaten Diep in het woud heerst een betovering houden vergadering wezens der nacht Wandelaar wacht voor gij nabij treedt want wie teveel weet zal nooit meer praten Een nevelring een lichte kring rondom de maan Een fluistering is rondgegaan Wee wie die waarschuwing niet heeft verstaan Wee wie vannacht naar het woud is gegaan * * * GNOMEN Zij bevolken schaduwplekken tussen het klimop, de gnomen. Daar schuilen zij. Ik zie daar hun gladde, zwarte lijfjes glimmen. Waarom is hun oog verborgen? - Mensenkind, 't zou ons verblinden als wij in het daglicht blikten. Wij zijn wezens van het duister. Elke avond als het donker invalt zit ik op je schutting. Donkerder zijn dan mijn ogen. Donkerder nog dan zwart fluweel dieper dan het diepste bergmeer dat de geheimen van hoge afgelegen rotsen roerloos bewaart. Waar geen vogel heenvloog. Wij zien vele, vele dingen die voor jou van geen belang zijn. - Gnoom, vanavond kom ik buiten om je oog in oog te spreken. - Mensenkind, sinds wij hier wonen kende je geluk en voorspoed. Pas wanneer die beker vol is zul je 's avonds mij zien zitten en mij in mijn ogen kijken. Woorden zijn dan niet meer nodig. * * * KRAAIEN Kraaien roepen in de morgen van de nok van pannendaken waaronder de spreeuwen wonen. 'k Meen ze noemden me eens 'broeder', toen ik nog op zolder speelde - 'Wat eenzelvig', zei mijn moeder - en wij krassend samen spraken in de vroege, koude morgen, maar dat is zo lang geleden... Ja, hun broeder was ik, Jorge, en niet anders mijn verleden. Van één vader zijn wij zonen. Duister werden mij hun paden, hun gebruiken en hun zeden, vreemd werd mij het plechtig kraken waarmee zij hun trouw beleden. 'k Koos mij andere kameraden die met ernst mij niet verveelden. Toen een ieder mij benijdde mijn groot aanzien en mijn welstand, verjoeg ik ze van mijn dakrand, bang dat men mij ging vermijden. Kraaien roepen in de morgen van de nok van pannendaken. Voor ontwaken na ontwaken waarin ik hen heb gemeden slaat vandaag ten laatste hun wrede lang gevreesde Uur der Wrake. Dit keer open ik mijn ramen. In het grauwen van de morgen kras ik haperend hun namen. Kraaien roepen: 'Samen. Samen.' (geplaatst op 26-04-2005) Lees nog meer gedichten van deze auteur op deze site: klik hier! terug naar boven |
| © 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs. 't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje Online zijn trademarks van Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België). Tel. 0032477794783. Deze site kan best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor de standaardschermresolutie van 800 x 600. |