GEDICHTEN VAN KATJA BRUNING (2)

STER

Aan de vijver, 't wordt al later
zie ik van oneindig ver
't licht weerkaatsen van een ster
in de spiegel van het water.

Als een uil zijn jacht begint
hoor ik, boven 't zacht gesuis
van zijn vleugel, om hun huis
het vertrouwd geknars van 't grind

als wie 't buitenlicht ontstak
weer terugkeert op zijn schreden.
'Zal ze 't licht zien, daar beneden?'
Ze zitten onder 't rieten dak.

'Zal ze even aan ons denken
bij ons zitten onder 't raam
weten weer haar oude naam?
Zich een glas hrannárh inschenken

en het samen met ons drinken
en vergeten wat ons scheidde
uitkijken over de weide
waar de witte klokjes blinken?'

't Is, al zijn wij even samen
reeds miljoenen eeuwen later.
Hrórh heette mijn witte kater.
'k Zie zijn oog achter de ramen

't knipoogt naar me. Dan begint
in die uithoek van 't heelal
waar hun huis staat in het dal
een sonoor geluid: hij spint.

't Wordt nu spoedig koud daarboven.
Dan sluiten ze de gordijnen
en dan zal de ster verdwijnen
als ze 't buitenlicht weer doven.


HENDRIK DE VRIES

'k Wil als H. de Vries nu dichten
In die dreunende cadanzen
Als het stampen van de oeros,
Het gedonder van groot onweer
Of het schokken van een woudreus
Die geveld werd door de bijlen
Van het dwergvolk, grommend zwichtte.

'k Laat de eerste en de laatste
Regels van de strofen rijmen.
'k Ben vergeten of die oude
Vos zich daarom ooit bekreunde,
Of slechts achteloos, maar treffend,
Hier en daar een komma plaatste.

'k Weet alleen dat in dat ritme
Ik eens draafde door de steppen,
Dat ik, geheel opgemonterd
Door zijn woeste taferelen,
Van me werp 't kleinzielig zoeken
Naar wat rijmen kan op ?ritme?
Om te duiken in zijn boeken.

Te ontraadselen zijn geheimen
Zou zijn als ze te ontmannen.
Liever wil 'k me onderwerpen
Aan de passie van zijn woorden,
Aan die donkere accoorden
Die als vuur mijn ziel doorvlijmen.

HOE ZIJ GING

Haar mantelpak was helder grijs
als haar ogen die van drift
donkerder werden
zwart

Ik haatte haar zwarte hoed
als een smet die op haar viel
Zij kon maar beter
gaan

Toen zij 't wilgenpad af liep
had zij een heel smalle rug
leek zij geringer
leeg

In de stilte om mij heen
hoorde ik haar stil verweer
nog één keer spreken
luid

tot het stijfbevroren werd
als het winterland waarin
zij klein geworden
was

Zal ik Wendelmoet weer zien
dan spreek ik hardop het woord
dat haar toen toekwam
'Blijf!'

Lees nog meer gedichten van deze auteur op deze site: klik hier!

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.