Grote en kleine auteurs
Niet alle schrijvers zijn gelijk voor de wet!

door Thierry DELEU









1
Historiek (1960-1980)
Een generatie auteurs verdiende beter. Generatievorming in het
teken van tegenspraak.

Een nieuwe generatie profileert zich meestal door een oudere tegen te spreken.
Zo moeilijk als de literatuurwetenschap het heeft met periodiseren (het
vaststellen van nieuwe data in de literatuurgeschiedenis), zo eenvoudig klaren de
bij een generatiewisseling betrokken jonge auteurs dit karwei.

De schrijvers die rond 1960 debuteerden, vormden een heterogeen gezelschap,
maar gemeenschappelijk was hun afkeer voor de klassieke rijmelarij en de (volks)
verhalende vertellingen in romanvorm. De belangrijkste “vertellende” auteurs
van die vooroorlogse jaren waren Antoon Coolen, A.M. de Jong, A. den Doolaard
en Theun de Vries. In het begin van de periode kwam het felste engagement met
de malaise van Jef Last.

De weergave van het toen zichtbare maatschappijbeeld was toen (en ook nu) niet
de enige mogelijkheid voor een schrijver om het tijdsklimaat op te roepen. Hij
kon dat ook doen door in verdichte vorm, met de middelen van stijl en
verbeelding, aan te duiden wat er onder de oppervlakte als “tijdgeest”
karakteristiek bleek voor een periode. De Nieuwe gedichten (1934) van Nijhoff
geldt hier als een voorbeeld: het uiterlijk crisisbeeld van werkloosheid en
stempellokalen kwam er slechts incidenteel in voor, maar de mentale beleving van
de contemporaine wereld als “woest en leeg” was het onmiskenbare vertrekpunt
in zijn verzen.

Wanneer er zich, in het zicht van 1940, een nieuwe generatie meldt, valt er in
het smeulend vuur enige opflakkering waar te nemen. Als woordvoerder van “De
Veertigers” trad de dichter en criticus Ed. Hoornik naar voren. Hij gebruikte de
term “mijn generatie” en hij bedoelde Aafjes, Achterberg, Den Brabander en
Van Hattum. Of hij had het over “de jongeren die zich in 1939 groepeerden”,
zoals Adriaan van der Veen, M. Vasalis, Pierre H. Dubois en Adriaan Morriën. In
De Gemeenschap van maart 1940 schreef hij over “Een nieuwe generatie”. De
ouderen vonden dat het werk van de jongeren “in het algemeen een groot gebrek
aan generositeit, aan weidsheid van verbeelding, aan geloof in hun ster”
vertoonde.

De naoorlogse poëzie vertoonde aanvankelijk weinig tekenen van vernieuwing.
Daarin kwam verandering in de jaren ’50 met de zogenaamde experimentelen.
Die groep wees een intellectualistische en esthetische (dicht)kunst af. In plaats
daarvan stelden de experimentelen het spontane, het associatieve. Omdat de
meeste experimentele dichters rond 1950 debuteerden, spreekt men van de
“Beweging van Vijftig”. De Nederlander Hans Lodeizen (1924-1950) geldt als
een voorloper. Enkele Vijftigers, zoals Claus (1929), Lucebert (1924-1994) en
Jan G. Elburg (1919-1992) waren ook actief als beeldend kunstenaar.
De poëzie ging rebelleren in de taal. Zij deed beroep op vrije associaties,
verrassende woord- en beeldcombinaties, die correspondeerden met de
exploratie van het onderbewuste. De beelden verwezen niet meer naar een
direct herkenbare realiteit, maar zij gingen binnen het gedicht zelf een
autonoom leven leiden.

Terwijl de poëzie van de Vijftigers rond 1960 hoe langer hoe beter
geaccepteerd raakte en de Zestigers sterk inspireerde, manifesteerde zich een
tegenbeweging. Twee nieuwe tijdschriften eisten de aandacht op. Gard Sivik,
genoemd naar een Antwerps artiestencafé, werd in 1955 opgericht door een
groep jonge Vlaamse avant-gardisten. In 1957 voegden de Rotterdamse dichters
Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) zich bij de
redactie. Algauw bepaalden zij, samen met Armando en Hans Verhagen, de
nieuwe neorealistische koers van het tijdschrift. De dichters van de “Nieuwe
Poëzie” vonden de Vijftigers veel te kunstzinnig, te dichterlijk. De burgerlijke
zakelijkheid die door de Vijftigers werd verworpen, werd door de nieuwe
generatie juist omarmd. In 1964 verscheen de laatste aflevering van Gard Sivik.
Gust Gils (1924) was de auteur van het “paraproza” en van een hele reeks
bundels die poëzie brachten van ontmaskering, grimmige ironie, woordspel en
surrealistische beelden. Gard Sivik werd een paar jaar later opgevolgd door De
Nieuwe Stijl.

In de rand van de literatuur deed zich in Nederland een ingrijpend maar
kortstondig fenomeen voor, meer bepaald in de grote steden Amsterdam,
Rotterdam en Den Haag, met name Provo die in 1965 werd opgericht. Het betrof
groepen met een aanzienlijk contingent “intellectuelen” (kunstenaars, schrijvers,
studenten, scholieren) die elkaar veel troffen in de cafés rond het Leidseplein.
Onder hen waren Simon Vinkenoog, Bart Huges, Robert-Jaspar Grootveld en
Johnny van Doorn (Johnny the Selfkicker).
Het middel om zich bekend te maken was de “happening”. Dat van de
Amerikaanse “action painters” overgenomen begrip duidde een openbaar
evenement aan, waarvan het doel was mensen collectief uit hun bol te laten gaan.
De tijd van de “bewegingen” in de poëzie leek na de jaren ‘60 voorgoed voorbij.
Wel ontstond er een duidelijke opleving van traditionele versvormen. Rijke
beeldspraak en herkenbare gevoelens speelden weer een rol. Ook de relatie
tussen het woord en de werkelijkheid werd onderzocht. Virtuoze vormbeheersing
en zorgvuldig opgebouwde gedichten bleken eveneens gegeerd. In Vlaanderen
“groepeerde” Lionel Deflo enkele dichters achter de vlag van De nieuw-
realistische poëzie in Vlaanderen (Brugge, Orion, 1972). In 1981 schreef Guy
van Hoof een essay over De Nieuwe Romantiek (Van Hyfte, 1981).

Ik vind deze parenthese belangrijk om de tijdsgeest te schetsen waarin wij als
debutanten (in de jaren ’60-70) onze opwachting maakten in de “salons” van de
literatuur.

Ik had het daarnet over de Vijftigers, maar ook de Vijfenvijftigers hebben hun
stempel gedrukt op de poëzie van mijn generatiegenoten, zij die geboren zijn
tijdens de oorlog, laat ons zeggen tussen 1940 en 1950. Zij kozen resoluut voor
het woordexperiment, voor de autonomie van de poëzie boven een direct
engagement. Ze publiceerden in de tijdschriften De Meridiaan (1951-1960), Het
Kahier (1953- ) en De Tafelronde (1953- ), met Paul de Vree.

Het centrum van deze tweede experimentele generatie was Antwerpen met de
redacteurs van Gard-Sivik als toonaangevende figuren. Niet alleen Gust Gils,
maar ook Hugues C. Pernath (1931-1975) en Paul Snoek (1933-1981). Over deze
laatste waren zij het roerend eens dat hij nieuwe poëzie schreef. Vooral zijn
eerste gedichten, van zijn oorspronkelijke beelden die niet direct
“experimenteel” aandeden.

2
De generatie dichters die in de jaren ’60-‘70 debuteerde, mijn
generatie.

Die dichters en schrijvers gingen via het taalexperiment hun eigen weg, hoewel
ze zich nooit helemaal kon losmaken van de vorige “experimentele” generatie.

In de eerste helft van de jaren ’60 is de experimentele poëzie over zijn
hoogtepunt heen. Het hermetisme van heel wat experimentele gedichten maakte
ze voor vele lezers ontoegankelijk.
Clem Schouwenaars (1932-1993), Willy Spillebeen (1932), Walter Haesaert
(1935), Hedwig Speliers (1935), Julien Vangansbeke (1936), Frans Depeuter
(1937) en Robin Hannelore (1937) distantieerden zich niet van de experimentele
poëzie, maar gingen hun eigen weg, zij voegden er iets aan toe. Bij Schouwenaars
viel de zin voor klassieke schoonheid op. Spillebeen bekommerde zich minder om
het ”schoonheidsgehalte” maar zijn poëzie ging diep en trof door haar zin voor
symboliek, vaak geprojecteerd tegen een mythische achtergrond. De maniërist
Haesaert was dan weer virtuoos in de beeldvorming. Hedwig Speliers legde
echter op de meest in het oog springende wijze de brug van oud naar nieuw. Als
dichter was hij eigenzinnig en toonde een bijzondere aandacht voor woord en
metafoor. Hij zette zich af tegen het experiment als experiment en ging fel
tekeer tegen de parlando-stijl van de nieuw-realisten. Zijn eigen beeldspraak
was verstandelijk gecontroleerd, maar zijn poëzie was niet altijd vrij van
hermetisme.

De poëzie van de generatie dichters die tijdens of kort na de oorlog zijn
geboren, vertoont een neo-experimenteel karakter. Ik denk hier onder andere
aan Thierry Deleu (1940), Annie Reniers (1941), Dirk Christiaens (1942), Rob
Goswin (1943), Fred de Swert (1945-1977), Guy van Hoof (1943). Samen met
de hierboven genoemde (iets oudere) dichters vormden zij een schakel tussen de
nieuwe tijd en de eeuwen die achter hen lagen. De dichter van de eerste
eeuwhelft had reeds heel veel met de woorden bereikt, nu was het hun beurt om
op zoek te gaan naar hun eigen identiteit, rond thema’s zoals liefde en
eenzaamheid; de meesten vertoonden een neiging tot introspectie, tot nadenken
over mens en wereld, anderen waren kosmisch gericht, schreven tragisch-
visionaire poëzie. Ondertussen was het levensklimaat gewijzigd en dat was ook
merkbaar in de nieuw-realistische poëzie die gegangmaakt werd door de
tijdschriften Kreatief (1966 - 2005) en Revolver (1968 -). Poëzie was echter
meer dan plaatjes schieten van de werkelijkheid. Het kon niet worden ontkend
dat de nieuw-realisten de poëzie een grotere verstaanbaarheid hadden gegeven.
De nieuw-realistische poëzie was niet alleen een reactie tegen de experimentele
poëzie, maar ook tegen de romantische, metafysisch gerichte poëzie.

3
Een generatie auteurs verdiende beter

Wat mij iedere keer opvalt, zijn de talrijke auteurs (schrijvers en dichters) die,
hoewel zij voor “beloftevolle jongeren” werden aanzien, nooit de appreciatie
kregen die zij verdienden. Met “appreciatie” bedoel ik hier: aandacht,
publicatiemogelijkheid, recensie, kritiek, kort: de status van een “echte” auteur.
Waarom werd hun werk niet uitgegeven door “gevestigde” uitgeverijen? Omdat
zij te weinig publiceerden? Omdat zij onverzorgde uitgaven op de markt
brachten? Omdat zij slecht schreven? Omdat zij geen geduld opbrachten? Of
was het gewoon omdat zij geen “geluk” kenden, omdat zij niet de “juiste” man of
vrouw tegen het lijf liepen, lees: de invloedrijke recensent of criticus, de
invloedrijke vriend en schrijver, een bevriende uitgever…? Pech dus en niemand
treft schuld!

Ik denk onder andere aan (en beperk mij tot) de dichters Werner Abeele,
Wilfried Adams, Joseph Avers, Kari Bert, Jozef Bierkens, Daniel Billiet, Marc
Bruynseraede, Hervé J. Casier, Guy Commerman, Willy Copmans, Frans Cornelis,
Frank de Crits, Dries Dehollander, Bea De Longie, Raoul M. de Puydt, Jean-
Marie De Smet, Dirk Desmadryl, Roger Devriendt, Albert Donk, Richard Foqué,
Christian Germonpré, Rob Goswin, Dany Hilven, Luc Indestege, Bert Klein, Gie
Laenen, Fernand Lambrecht, Gie Luyten, Gi Mateusen, Bart Mesotten, André
Polfliet, Ben Reynders, Maria Seselle, Willy Sneeuw, Werner Spillemaeckers,
Thomas Triphon, Luc Vancampenhout, Leopold M. Van den Brande, Luc Van
Hoeylandt, Miel Vanstreels, Herwig Verleyen, Hedwig Verlinde en Ignaas Veys.

Toen pech, nu: gestuurde discriminatie!
Wat gezegd van de wijze waarop de overheid en zij die door de overheid
werken, regels opstellen en aan belangenvermenging doen? Ik ken maar één
regel: de anti-discriminatieregel: elke schrijver is gelijk voor de wet. Is dat zo?

Er heerst sedert einde jaren ’70 een groeiend onbehagen. Welke zijn de grieven
van de schrijvers? De schrijvers vormen samen met de artiesten een aparte
categorie van personen die een vrij (bij)beroep uitoefenen. Het schrijverschap
wordt wel juridisch of wettelijk erkend, hoewel de schrijvers zelf hun
schrijfwerk niet als een beroep, althans hun hoofdberoep, beschouwen.

Het is een vrij beroep, maar met zulke eigenaardigheden dat de assimilatie met
andere vrije beroepen mank gaat. Alleen al een bepaling geven van de schrijver
is een moeilijke taak. De meeste schrijvers kunnen niet “van hun pen” leven.
Waar zouden zij overigens van leven? In de eerste plaats van de verkoop van
hun werken? De auteursrechten? Wegens de beperktheid van de
Nederlandstalige boekenmarkt lopen de oplagen zelden hoog op, zodat de
opbrengst in de meeste gevallen niet volstaat om een schrijver fatsoenlijk te
laten leven. De debutanten en/of auteurs die niet (kunnen) uitgeven bij erkende
uitgeverijen vallen uit de boot. Bovendien ondervinden zij weinig steun van de
bibliothecarissen (en hun belangengroepen) die geen of bijna geen boeken van
hen aankopen.

Komt het huidige Vlaams Fonds voor de Letteren in aanmerking om een loon aan
de schrijvers uit te keren? Moet in dit geval het Fonds niet worden beheerd
door de auteurs zelf? De moeilijkheid ligt echter in de criteria die moeten
gebruikt worden voor de toelating tot een dergelijke regeling. Dit vereist
alweer een bepaling van het schrijversberoep in kwantitatief en in kwalitatief
opzicht. Wie bezit echter het recht en de bevoegdheid om in deze uiterst
delicate aangelegenheid normen vast te leggen?

4
De vinger op de wonde

Ik leg de vinger op een aantal problemen die inherent zijn aan het
schrijversberoep.
Het debuut in de literaire carrière b.v. is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder
naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te
winnen, die verwend zijn door een massa dergelijke producten. Vaak werken
auteurs eerst jaren in het donker voordat zij erkend worden. Soms hebben ze
het geluk door een collega-schrijver met naam ontdekt en beschermd te worden
of door een uitgever opgemerkt te worden, die bereid is hun een kans te geven.
Maar dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten
rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. En deze weg kan soms
vrij lang zijn.

Ik denk aan subsidies in de vorm van mandaten van beperkte duur. Het geld zou
kunnen komen uit een (nieuw) Vlaams Fonds voor Auteurs, dat voor een deel uit
overheidsgelden en voor een deel uit privé-kapitalen en nieuwe heffingen op de
verkoop of de uitlening van boeken (het zgn. leengeld) bestaat.
Opvallend is het feit dat vele auteurs gewag maken van uitgaven in eigen beheer.
Dit betrekkelijk hoge cijfer wijst op een bepaalde tendens in de verhouding
auteur en uitgever. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het
lampje op rood zetten. Wij hebben het hier niet alleen over de strijd van de
kleine uitgeverijen tegen de gevestigde huizen moeten voeren. Wij beschouwen
de problematiek veeleer vanuit het standpunt van de schrijver. De schrijver
kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. De uitgever acht het
verkoopbaar, rendabel of totaal waardeloos. Hij behandelt het gewoon als ieder
ander commercieel product. Indien het merk al bekend is, zal de verkoop
vermoedelijk vlot verlopen. Voor een nieuwigheid is echter voorzichtigheid
geboden. De kansen worden gewikt en gewogen en vallen, naar gelang de
verwachte afzet, gelukkig of faliekant voor de auteur uit. Deze kan zijn zaak
nog bepleiten om zich uiteindelijk toch bij de beslissing van de uitgever neer te
leggen. De auteur is dus totaal overgeleverd aan de ijzeren wetten van de
boekenmarkt en krijgt al spoedig, terecht of ten onrechte, de indruk dat hij een
speelbal is in de handen van kapitaalkrachtige uitgevers die, samen met drukkers
en boekhandelaars, hem kleinmaken door hem niet ernstige voorwaarden op te
leggen. Dit besef van schreeuwend onrecht groeit vooral bij de jongere
schrijvers (en bij de ouderen die aan hun debuut terugdenken), omdat zij er het
meeste nadeel van ondervinden.

Om aan de wurggreep van het louter commercieel bedrijf te ontsnappen, namen
hier en daar schrijvers zelf de touwtjes in handen en zorgden zelf voor hun
verspreidingskanalen.

De schrijvers die hun werken zelf uitgaven en meteen ook die van hun collega's,
waren een eerste aanzet tot ontsnapping aan het uitgeversbedrijf. Het waren
meestal jongere schrijvers, wiens manuscript door een uitgever geweigerd werd
en die dus door de bestaande kanalen niet konden doorbreken.

Deze toestand is in de loop van de jaren ongewijzigd, veeleer verslechterd! Hier
zou de VVL een belangrijke rol kunnen spelen: duiding geven, ontwerpteksten tot
subsidiëring (aan)maken voor de overheid, kansarme auteurs en hun
verzuchtingen actualiseren, uitgaven in eigen beheer of bij niet-erkende
uitgeverijen collectief aanprijzen bij bibliotheken en in kranten, tijdschriften
en e-magazines.

De VVL dient zich te profileren als een “vakbond” die gedreven en bedreven
onderhandelt met de overheid, met uitgeverijen, het bibliotheekwezen en de
boekhandel.

Worden er een aantal betrekkingen in de overheidsdiensten aan schrijvers
toegekend? Worden er (voldoende) subsidies uitgekeerd aan bibliotheken en
letterkundige instellingen? Worden er (toereikende) subsidies verleend voor
literaire uitgaven en tijdschriften? Worden er (gespijsde) prijsvragen voor
letterkunde en literatuurgeschiedenis uitgeschreven? Worden er (voldoende)
literaire werken door de overheid aangekocht? Worden er (gespekte) reis- en
werkbeurzen aan letterkundigen toegekend? Worden er staats-, provinciale en
gemeentelijke prijzen aan letterkundigen uitgereikt? Ik hoor de minister en de
ambtenaren hardop roepen: “JA!”

Toch vrees ik dat de literatuur door de overheid stiefmoederlijk wordt
behandeld. Zij is vaak niet erg vrijgevig. Zij stelt auteuronvriendelijke
voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de
commercie boven de kunst. Ik durf te schrijven dat de overheid de literatuur
veeleer bemoedert dan wel daadwerkelijk helpt.

Deze bedenkingen zijn gegroeid uit een eigengereide bekommernis voor de
schrijverswereld. Ik ben er van overtuigd dat het probleem van het statuut van
de schrijver niemand onberoerd laat. Het probleem is overal aan de orde en
heeft reeds jaren heel wat opschudding gewekt. Er heerst ongetwijfeld een
malaise in de letterkundige wereld. Ook - en zeker niet in het minst - bij ons.

5
Gedichtendag: het zoveelste “slimme” lapmiddel!

Juich, dichters, juich, “Gedichtendag” brengt troost!
“Is dit initiatief het waard om te juichen?” vraagt de dichter zich af en de
dichter niet alleen, ook zijn vrouw en kinderen, zijn vrienden en kennissen.
Gedichten zijn immers “verswaren” die niet erg worden geapprecieerd door de
consument, of toch zelden aangekocht en weinig geconsumeerd. Daarom is de
dichter op “Gedichtendag” in zijn nopjes: eindelijk wordt hij of zij in de spots
geplaatst! De erkenning is dichtbij, de bestellingen van zijn of haar bundels
zullen binnenlopen.

Ik wenste dat het waar was, dichter-collega! Ik brand een kaars, ik ga op
beevaart, ik richt mijn blik naar de hemel: “S.O.S.” of “God save the Poet”.

Op “Gedichtendag” kies je het ene jaar voor de tafelspringer, de “zelfkickende”,
de showman, de showvrouw, en het andere jaar kies je voor de dichter van de
eenvoud, van de stilte: de stilte die nodig is om klank en betekenis te waarderen;
de stilte in het wit tussen de versregels.

Tijdens de show worden elk jaar awards uitgereikt. De “Gedichtendagprijzen”
voor de drie mooiste Nederlandstalige gedichten van het voorbije jaar. Ieder
jaar denk ik dat ik een kans maak, een waterkansje, maar ik weet nu reeds dat
de jury mij nooit zal verkiezen wegens te oud! Jammer, maar niet om er
chagrijnig om te worden. Ik ben (inderdaad) te oud om mij druk te maken om
“schone schijn”!
Op “Gedichtendag” worden dan in Nederland en Vlaanderen activiteiten
georganiseerd. Maar bijna altijd worden de schijnwerpers gericht op dichters en
dichteressen die al een eeuwigheid in het licht staan! Uit naastenliefde (lees
liefdadigheid) worden enkele debutantjes opgenomen in de crew, om alle schijn
van discriminatie en nepotisme de kop in te drukken (letterlijk), zoals één zwart
meisje serveert in een poepchic restaurant of één Turk aan de receptie zit van
een ****hotel. Als je weet wat ik bedoel!
Op “Gedichtendag” zouden de grote krokodillen zich moeten gedeisd houden.
Muil toe, uitpuilende ogen dicht en toekijken hoe talrijk de goede dichters zijn
die nooit een echte kans hebben gekregen!

6
De ontvoogding van de lezer

Is de bibliothecaris niet de bruggenbouwer tussen de informatie in een
bibliotheek en haar bezoekers? Hij/zij zorgt ervoor dat het informatieaanbod
van de bibliotheek goed aansluit bij de wensen van de bezoekers en houdt de
collectie up-to-date. Verschijning van nieuwe boeken, tijdschriften of
naslagwerken houdt hij nauwlettend in de gaten. Aanwinsten geeft hij - door
middel van een coderingssysteem - een logische plek in de collectie. Wanneer
bezoekers moeite hebben om informatie te vinden, helpt hij ze bij hun
zoektocht. Dit is héél wat en daarom verdient hij/zij deze ode!

Toch kleeft aan het beroep van bibliothecaris nog altijd een stoffig imago. Zit
hij/zij alleen maar met zijn/haar neus in de boeken? Zeker niet, het
tegenovergestelde is waar. De bibliothecaris heeft juist een gevarieerd
takenpakket. Hij/zij houdt zich niet alleen bezig met het beheer van de
collectie, maar ook met het verstrekken van informatie. Vooral dit laatste
aspect maakt het beroep leuk; de meest uiteenlopende vragen moet hij/zij
kunnen beantwoorden. Iedere werkdag is hierdoor anders. De bibliothecaris
heeft dus een leuk beroep.

Hij/zij verricht de volgende vijf hoofdtaken:
1.        Beschikbaar stellen van informatie.
2.        Up-to-date houden van de collectie.
3.        De bibliothecaris houdt bij welke nieuwe boeken, tijdschriften en
naslagwerken er verschijnen. Om te bepalen welke titels moeten worden
aangeschaft, leest hij/zij onder andere recensies en aankondigingen van
uitgevers.
Daar wringt het schoentje! Hoe maakt hij kennis met uitgaven van auteurs die
niet bij “gevestigde” uitgevers (met recensie) worden uitgegeven? En indien
hij/zij er weet van krijgt, vindt hij het dan belangrijk/onbelangrijk en/of
tijdrovend om contact met de auteur te nemen? Wat doet de bibliothecaris
indien hij/zij geen recensie toegestuurd krijgt of indien de auteur geen
“officiële” recensie krijgt?
4.        Bij het uitbreiden van de collectie houdt hij/zij altijd de wensen van de
bibliotheekgebruikers in zijn/haar achterhoofd.
5.        Hij/zij adviseert de bevoegde schepen over de aanschaf van nieuwe
boeken. Vaak is het echter zo dat de bibliothecaris zelf tot de aankoop
overgaat. Hij beheert het budget.
Van wie krijgt hij informatie over nieuwe uitgaven? Wat indien hij/zij van de
officiële bibliotheekdienst slechts informatie, voorzien van een recensie,
ontvangt van ingezonden nieuwe boeken door de “grote” uitgeverijen? Besteedt
hij ook evenveel aandacht aan informatie hem/haar door de auteur zelf
bezorgd? Is het niet wenselijk (menselijk) dat ook (beginnende) auteurs of
auteurs zonder grote uitgeverij of auteurs die uitgeven in eigen beheer zich met
evenveel respect kunnen wenden tot diezelfde “boekendienst” (door de Overheid
en/of het boekenbedrijf opgericht en/of gesubsidieerd)?

Bij het zoeken naar informatie over een schrijver is ook nu weer de “onbekende”
auteur de dupe. Wanneer de bezoeker het zoeksysteem raadpleegt, komt hij/zij
nooit uit op een beginnende auteur, debutant, auteur zonder uitgeverij, tenzij de
lokale bibliothecaris de man of vrouw persoonlijk kent en van hem/haar een
aantal boeken heeft aangekocht. Deze auteur krijgt echter geen kans(en) om
gelezen te worden door een ruimer publiek, om te worden geapprecieerd, om te
worden gekocht. Hij blijft - als het meevalt - een lokale (hoogstens regionale)
vedette.

Voorstel één. Op didactische borden/platen brengt de bibliothecaris eenvoudige
tekst aan die de bezoeker wegwijs maakt in het zoeken naar alle Vlaamse
auteurs, ook minder bekende, vergeten of doodgezwegen schrijvers. “De auteur
die of het boek dat u hier niet vindt, kan u ons vragen. Wij helpen u zoeken!” Of
“Een auteur? Een boek? Wij helpen u zoeken!”
Via Google is dit een eenvoudige klus: naam auteur zoeken, de verkregen
bestanden overlopen, de websites of blogs van de auteur raadplegen. De
bezoeker meldt de naam van de gezochte auteur(s) aan de bibliothecaris. Die
naam komt op de lijst voor aankoop door de bibliothecaris.

Voorstel twéé. De bibliothecaris onderstreept in zijn dienstmededelingen hoe
belangrijk het is alle auteurs te kennen (niet alleen degenen die zij op school
hebben gelezen), hoe de keuze van de bibliotheekbezoeker moet worden
begeleid en verbreed, hij/zij benadrukt het respect dat zijn/haar medewerkers
moeten hebben voor alle auteurs en alle bezoekers. Hij leert hun hoe onvrijwillig
discriminerend zij kunnen tewerk gaan.

Indien een bibliothecaris niet beantwoordt aan het volgende beroepsprofiel, dan
is hij/zij fout bezig of niet geschikt voor de job:
-        informatie snel kunnen opnemen,
-        zorgvuldig en nauwkeurig kunnen werken,
-        dienstverlenend zijn,
-        goed kunnen samenwerken
-        nieuwsgierig zijn.
Wanneer bibliotheekbezoekers informatie niet kunnen vinden, vragen zij de
bibliothecaris om raad. Hij/zij legt ze het zoeksysteem uit en maakt ze wegwijs
in de collectie. Ook denkt hij/zij met hen mee: welke bronnen zijn geschikt om
te raadplegen bij het zoeken naar een auteur of naar een boek?

De feiten.
Van mijn vriend Georges de Courmayeur, een aangespoelde kustbewoner, hoorde
ik alweer hoe omhooggevallen boekenuitleenmadammen en dito heertjes zich
vereenzelvigen met “grote” schrijvers en “gerenommeerde” beeldende artiesten.
In hun “afgoderij” (de minder getalenteerden spelen op veilig) verbannen zij op
hun beurt de debuterenden en de niet-gevestigden (criteria die niets met
kwaliteit te maken hebben) uit hun “culturele” nevenactiviteiten. “Wij vinden het
geen goed idee een (wereld)beroemde aan een (dood)onbekende te koppelen. Het
zou het inititiatief schaden!” argumenteren zij.

Zo hoorde ik het verhaal van een schrijver met een 30-tal publicaties,
waaronder gedichtenbundels, essays, bloemlezingen, taalboeken en romans, dat
hij niet meer welkom was in de bib van zijn eigen gemeente (regio Kortrijk),
omdat hij niet behoort tot the happy few van de kunst. Van die schrijver weet ik
dat hij nooit een “georkestreerde” poging heeft ondernomen om “beroemd” te
worden buiten de grenzen van zijn naaste omgeving! Nu is hij daar de dupe van.
Punt.

Moraal: niet de kwaliteit van het werk is voor de (meeste?) bibliothecarissen
belangrijk, maar wel en uitsluitend de naam en faam van de schrijver/kunstenaar
die hij zijn (haar) vriend noemt. M.a.w. wie “groot” wil worden moet zich in de
gunst van “de groten” werken!

7
Iedere poëzieliefhebber heeft een eigen mening, een persoonlijke
smaak, voorkeuren.

Ik toets ze aan mijn persoonlijke poëzieopvatting.
Karel Van de Woestijne, Jan G. Elburg (N) en Paul Snoek zijn mijn poëziegoden.
Op een respectabele afstand komen Leonard Nolens, Willy Spillebeen, Roland
Jooris, Luuk Gruwez, Peter Verhelst, Peter Holvoet-Hanssen, Philip Hoorne, Eric
Spinoy en Lut de Block.

Dichters die mij als poëzielezer kunnen boeien zijn onder andere: Bernard
Dewulf, Patricia Lasoen en Peter Theunynck. Een groot aantal dichters
profileren zich onvoldoende. Omdat ze dit ook niet wensen (lees: roem en
prestige zijn voor hen niet prioritair) of omdat zij niet (kunnen) publiceren bij
gevestigde uitgeverijen. Dit laatste heeft grote nadelen: als dichter kom je niet
in bij grote uitgeverijen gepubliceerde bloemlezingen, je krijgt heel wat minder
aandacht in de media, je wordt minder gevraagd voor lezingen op scholen of in
verenigingen. In één woord: je verwerft geen status.

Er zijn oplossingen. Ik zet ze op een rijtje: een totaal pakket aan steun van de
overheid (aankoop, distributie, subsidiëring). Steun die niet afhankelijk is van
uitgevers en andere belangengroepen. Meer aandacht in de pers, op radio en TV.
Subsidiëring van tijdschriften en e-magazines die debutanten en
“verwaarloosde” dichters publicatiemogelijkheid bieden. Ook het internet moet
worden uitgeprobeerd.

Wie kan een invloedrijke rol spelen bij de opwaardering van goede dichters die
meer waardering verdienen? Ik denk aan Jeroen Overstijns van “De Standaard”,
Marianne De Baere van “De Morgen, Harold Polis, bestuurder van het Vlaams
Fonds voor Letteren, Emile Brugman, directeur van uitgeverij Atlas, Lut
Raymaekers van uitgeverij Van Halewyck, Jozef Deleu van “Het Liegend Konijn”
en Leo Peeraer van uitgeverij P.

Waarom geen steun verlenen aan plannen voor een “Grote Vlaamse Uitgeverij”,
naar het model van “De Bezige Bij”? De overheid en het privé zouden geld
kunnen stoppen in het initiatief, zodat ook debutanten en aankomende dichters
en schrijvers aan hun trekken komen. Op deze wijze zou de broodnodige
commercialisering tot een acceptabel minimum kunnen worden herleid. Bijna
kreeg Weverbergh in 1986 dit initiatief op poten.
Soms heb ik de indruk dat “je boek uitgeven in Vlaanderen” een vieze
onderneming is. Dat de publishing-on-demand uitgeverijen deze leemte willen
invullen, heeft deze indruk (dit gevoelen) niet verminderd.
Grote uitgeverijen willen het liefst van hun literaire boeken af. Zeker van hun
poëzie, omdat deze maar enkele procenten opbrengt. Pleit ik hier voor een
staatsuitgeverij? Ja en neen. Een gemengde uitgeverij (overheid en privé) met
naast goedverkopende auteurs ook “een opvang” van nieuwe en aankomende
dichters, met aan het hoofd een doorgewinterde directeur, zoals b.v. Marianne
De Baere of Geert Joris die nog durven te dromen en zich niet laten beïnvloeden
door groot geldgewin.

Bovendien zijn literaire tijdschriften - dé mogelijkheid bij uitstek voor
aankomende auteurs die vaak zelf aan het roer staan - aan het uitdoven. Een
schrijver/dichter die nu iets interessants te melden heeft, doet dit nu via het
internet.
Persoonlijk vind ik dat boekenbeurzen, boekenclubs en leesgroepen opvallend
méér aandacht moeten besteden aan de school, de leerlingen en hun ouders.
Gedichten lezen en leren appreciëren is een sociale opdracht van de samenleving.

8
De jonge Turken

O neen, ik ben niet jaloers, ik gun deze jonge auteurs hun (markt)succes, zij
verdienen het, de generatie Dertigers die luisteren naar de voornamen Tom,
Dimitri, Stefan, Yves, Annelies en David. Zij zorgden in hun eentje voor een
literaire opstoot in Vlaanderen. Naegels, Verhulst, Brijs, Petry, Verbeke en
Reybrouck zijn alomtegenwoordig in de media.

Waarin verschillen zij van de vorige generaties, zeg maar de veertigers en
vijftigers? Simpel: in plaats van zich te herhalen, verrassen zij hun lezers
iedere keer met iets totaal anders. Bovendien is hun maatschappelijke
betrokkenheid niet gering. Hun boeken zijn geen gewone stijloefeningen of huis-,
tuin- en keukenromans.
Schrijf ik nu dat Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Peter Verhelst, Kristien
Hemmerechts minder goede schrijvers zijn? Individueel wil ik geen vergelijking
maken, maar de Dertigers zijn een sterk collectief.

Een de aankomende twintigers? Geen commentaar. Ik wacht even af, maar ik heb
veel moois gelezen van Thomas Blondeau en Ruth Lasters.

Een nieuwe generatie duikt op: de seniorenschrijvers! Zij vormen een volwaardig
segment van de lezersmarkt, zeker weten. Ik denk hier aan de zestigers en
zeventigers, aan Paul Koeck, Elisabeth Marain, Monika van Paemel, Walter van
den Broeck, Thierry Deleu, Eric de Kuyper en Leo Pleysier.
De twintigers zijn bij deze gewaarschuwd dat hun pad niet over rozen zal lopen.

9
Mijn credo

Volgens smaak, perceptie en voorkeur, of je nu zelf dichter bent, of jou
herhaaldelijk uitspreekt over (de waarde van) poëzie, of als gewone lezer,
sommige geselecteerde gedichten zullen jou aanspreken en andere zullen jou
niets zeggen, sommige dichters zullen jou verrassen of bekoren, of jou de
bevestiging brengen van een (eeuwige) belofte of een vaste waarde. Eigenlijk
maakt dit niet veel uit. Belangrijker is de aandacht die het initiatief wil vestigen
op de literaire ongelijkheid waardoor “alle dichters niet gelijk zijn voor de wet”.
Het kan niet dat elementen zoals leeftijd (debuterende dichter of outsider,
favoriet of verguisde), uitgeverij (in welke vorm ook: van eigen beheer over
print-on-demand tot erkende uitgeverij), mediabelangstelling, vriendendienst,
meespelen bij de beoordeling van het werk. “Niet alle dichters zijn
gelijkwaardig” is een beter statement, op strikte voorwaarde dat de parameter
hier de kwaliteit is. We weten echter hoe vaak de subjectiviteit een rol speelt.
Het is moeilijk, maar we geraken er wel uit. De perfectie is (nog) niet van deze
wereld.

Schrijven is ontsnappen uit de rauwe werkelijkheid, ver weg van desillusies,
agressie en domheid. Schrijven is ook afrekenen met clichés, (waan)beelden,
foute interpretaties, verkeerd imago, opdringerigheid, overregulering.
Therapeutisch? Ja, zeker?

Schrijven is afreageren. Schrijven is ook een nieuwe werkelijkheid creëren waar
het aangenaam is om te vertoeven, waar personages opduiken die ik anders nooit
zou ontmoeten, waar ik van twee, drie mensen uit mijn omgeving één nieuwe mens
maak, met ofwel alle deugden ofwel alle ondeugden van hen. Schrijven is ook
taboes doorbreken, jezelf de kans gunnen om in de fout te gaan, om dagelijkse
tot doodzonden te verheffen, om aan mijn verbeelding macht te delegeren om er
een personage mee onderuit te halen.

Schrijven is dichten, vertellen, overtuigen, wenen, uitbundig leven, anderen
beoordelen, loven, kritisch bijsturen, te boek stellen. Zo heb ik vele vrienden
die - hoewel ze slechts in mijn boeken leven - mijn leven nog zoveel aangenamer
maken. Wat ben ik een bofkont: een pracht van een vrouw, een paar vrienden
(geen handjevol, dit is niet gezond) en een troep (te boek gestelde) vrienden.


(geplaatst op 25-06-2007)

Meer over Thierry Deleu op zijn websites:
http://geletterdemens.blogspot.com en http:
//knightsrazor.com.

terug naar boven
© 2002/ 2007 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan best
worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.