PIETER GEERT BUCKINX –‘de blonde god
met de pijp’
door Ina Stabergh
Sommige dichters krijgen zoveel aandacht in de toonaangevende media dat best de
sporadische plaatsjes in de andere tijdschriften worden uitgedeeld aan minder
fortuinlijke poëten. Omdat de meeste lezers zelf willen ontdekken wat ze 'goed'
vinden, spelen tijdschriften als ‘Stroom’, ''t (muzen-)Koeriertje', e.a. een
belangrijke rol. Interessante debuten, 'opgemerkte' dichters, ook bij de buren, en
vergeten Staatsprijswinnaars verdienen uit de schaduw te worden gehaald en weer
voorgesteld. Pieter G. Buckinx is zo'n dichter die opnieuw in het licht moet worden
gezet. In 1983 kreeg hij de Staatsprijs voor zijn poëzie. Bij leven zou hij dit jaar
zijn honderdste verjaardag vieren.
P.G. Buckinx debuteerde in 1927 met de bundel 'De doortocht'. Later volgden nog
'De dans der kristallen', 'Droomvuur', 'De oevers van de stroom', 'Blijdschap is een
boom' en zo verder tot vijftien dichtbundels bij leven en twee postuum. Buckinx
werkte mee aan een groot aantal bladen en tijdschriften. Samen met Jan
Vercammen, René Verbeeck en André Demedts richtte hij 'De Tijdstroom' en later
'Vormen' op. Het was een groep dichters die zich verzette tegen het maniërisme. Zij
streefden naar existentiële waarachtigheid.
Mede als redactielid van ‘Dietsche Warande en Belfort’, bijna vijftig jaar lang, was
hij vooral geïnteresseerd in de poëzie van de jongeren. Hij vestigde de aandacht op
het feit dat vele jongeren "zich te vlug tevreden stellen met een originele vonk, een
vonk die geen nieuwe vonken doet ontvlammen." Natuurlijk volgde hij ook aandachtig
zijn dichtende leeftijdgenoten.
Ter gelegenheid van de voorstelling van de bundel 'Bloesems van mijn droom' in
1997, tien jaar na het overlijden van de dichter, beschreef samensteller Rudolf van
de Perre zijn poëzie als volgt:
"Door de aard van zijn opvatting en door haar wezen zelf, is de poëzie van Buckinx
van meet af aan een poëzie die zich niet richt tot de schreeuwerige massa, maar een
poëzie met een aristocratisch karakter, verfijnd en gracieus, lucide en
gereserveerd, gegroeid uit de stilte en bestemd voor de stilte
van de receptieve geest."
In zijn autobiografie 'Het ligt voor de hand' zegt P.G.: "... ik zoek in de poëzie een
antwoord op de vragen van het leven, ik bezin mij over het menselijk tekort, over
onze oorsprong en onze bestemming. Hieruit groeit nu en dan een vers waarin ik het
antwoord vind op mijn vragen."
Dichten berust volgens Buckinx niet alleen op een creatief spel met de taal, maar is
ook het resultaat van een existentiële bekommernis. Zijn poëzie beweegt zich tussen
twee polen: de verbondenheid met de aarde en het streven naar vergeestelijking en
onthechting van die aarde. Dit komt neer op het eeuwige conflict tussen lichaam en
ziel. Het is altijd goed om van een dichter meerdere gedichten te lezen. Zo vindt
men makkelijker de sleutel om 'binnen' te geraken. Beelden als bergland en dal,
sneeuw en ijs, koude en kristal, vuur en roos,
bloesem, vlinder, meeuwen en angsten en schaduwen komen herhaaldelijk voor in al
zijn bundels.

DON JUAN

De diepe wonden waar ik eens als kind
het donker roepen van de dieren heb bemind
slaan bliksemend voorbij…
de snelle wind
fluit knagend aan de steile grenzen
waar het rijk van droom en daad begint.
O ‘t laatste vuur dat mij aan deze aarde bindt,
dat stralend naast mij ging,
waaraan ik roekeloos gekluisterd hing.
Ik sta naakt en bloedig verslagen
ik zal verdorren aan uw schoot.
Ik vraag niet meer
wie wit en donker door dit leven floot.

(uit: ‘De dans der kristallen’ 1936)

De bundel 'De oevers van de stroom' (1958) geschreven na een Kongoreis, leest als
zijn elementair verdriet van het gemis en van de oerangst van de dood.

VERLANGEN NAAR SNEEUW

Vrieswind, ijsgang en sneeuw,
ik ijl u achterna,
alleen in de nacht van de boot,
in het donker van Kigoma.
Soms schrik ik op voor de kreet
van een dier in de koorts van de slaap,
voor het scheurend gesis van de slang,
voor de puntige naald van haar beet.
Soms schrik ik op voor die stem
in mij, voor de dood wit als ivoor,
voor de koude gil van de negervrouw,
voor de messen blind van fosfoor.
Soms schrik ik op voor het brandend wier
in de luide schuimval van de rivier,
voor het schot, voor de buit, voor het morgenrood,
voor de sneeuw, voor het ijs, voor de slaap:
het koele kristal van de dood.

(uit:’De oevers van de stroom’ 1958)

Deze bundel is in de evolutie van zijn dichterschap niet zonder betekenis gebleven.
Als de jaren van de felste innerlijke strijd achter de rug zijn, heeft hij zijn
aandacht meer toegespitst op de directere realiteit.
In zijn bundel 'De zevende dag’ (1961) heeft zijn poëzie een definitieve gedaante
gekregen. "Het innerlijke dualisme is overbrugd, de onthechting heeft tot berusting
geleid. Het kille bergland en het bloedwarme dal zijn geen antipoden meer, maar
vullen elkaar aan en ontmoeten elkaar in de zachte
'bergwei' ..." schrijft René Verbeeck in 'P.G. Buckinx' in de reeks Monografiëen
over Vlaamse Letterkunde.

DE ZEVENDE DAG

De zevende dag
in de bergboswei
vond ik de wortels van de bron.
Het water herkende mij.
De steen die de bron
sinds eeuwen hield verborgen
blonk in de witte aders
van de morgen.
De vlinders vonden de dauw
in de doodstille anemonen.
De witgloeiende vogelveder
waarin de ziel mag wonen
blonk in het doodstille blauw.
Uit het oerland van de dromen
zong ik het oeroude lied,
maar de wereld
hoorde de boodschap niet.

(uit: 'De zevende dag' 1961)

"Dit is het gedicht van de synthese" zegt Rudolf van de Perre, "van het gerijpte en
verworven levensinzicht, waarin de mens het spel van nemen heeft herleid tot een
harmonisch aanvaarden. .. Het ritme is ontspannen, de toonaard lyrisch. De synthese
is tot stand gebracht in de beeldentaal, de samenstellingen en in het antithetisch
woordgebruik."
In de bundel 'Bijna aan de grens' vloeien werkelijkheid en verbeelding in elkaar
over. Het kind blijft een rol spelen in deze bundel. Vroegere thema's en motieven
keren sober verwoord terug.

BIJNA AAN DE GRENS

Bijna aan de grens van de weg gekomen
kijk ik nog even om.
In de dorpskom, onder de bomen bij de kerkhofmuur,
zit een knaap in de najaarszon.
Hij speelt met de eikels en hazelnoten
die tussen de tepels van zijn vingers glijden
als parels waarin het herfstgoud vlamt.
Of hij draaft op een paard met wilde manen
door de brandgeur van aardappelloof
langs de weerbarstige wilgen naar het bruiloftsbed,
het prinsenbos op de einder, in de toverval
van de najaarszon.
Hier is het dat eenmaal alles begon
en eeuwig herbeginnen zal.

(uit: 'Bijna aan de grens' 1975)

Poëzie moet als muziek in de oren klinken, gedichten moeten tegen de generaties
bestand blijven. Dit geldt zeker voor de gedichten van ‘de blonde god’ uit
Kortessem. Zij verrassen voortdurend en blijven hun versheid bewaren.
Frans Cornelis, dichter en neef van P.G.B., noemt in een lezing zijn oom "de dichter
van de nacht" omdat de meeste gedichten zijn ontstaan tussen 22.00 uur en 2.00 uur
's nachts. Bovendien neemt het nachtthema een grote plaats in zijn poëzie in. 'Nu het
tuinfeest begint’, geschreven aan de Playa Poniente, waar beide dichters samen
vakantie vierden, werd op het gedachtenisprentje van Pieter Geert Buckinx ( 23
januari 1987) gedrukt.

NU HET TUINFEEST BEGINT

Windstil - De vlammen op de rotsen
doven uit in de roosvensters
van de bergkapel.
Onder het tempelgewelf
op de vleugels van de zeven palmbomen
bidden vogels hun avondgebed:
een warreling van vlerken
rond geelgeschelpte stammen
in de avondlijke koelte.
Hier lag eenmaal de kiem,
het raadsel van het zaad,
hier lagen de offerpij, de vastenriem,
het evenwicht, de maat
en de troost van de gebeden.
Prince, nu het tuinfeest begint
met koraalbessen en wilde jasmijnen,
zegen mij, zegen mijn laatste gevecht
want mijn heerlijkheid is nabij.

(uit: ‘Spaanse gedichten’ 1989)

Wie meer wil weten over het pas verschenen, nooit eerder uitgegeven boek 'De
wijzers van het uurwerk' van P.G.B, kan terecht bij de P.G Buckinx Stichting,
Kerkplein 11, 3720 Kortessem.
Van 20 september tot 18 oktober 2003 had in de Koninklijke Bibliotheek Albert I
– Kunstberg (Brussel) een tentoonstelling over zijn werk plaats. Terzelfdertijd
werd in een andere zaal het werk van Hubert Lampo tentoongesteld.

(Deze tekst verscheen eerder in STROOM, nr.10  van september 2003 .  Website: http:
//users.pandora.be/francois.vermeulen1/Stroom.htm)

(geplaatst op 10-04-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2005 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.