BIE WOUTERS (BELGIE)
WAAR GEEN UREN TE VREZEN ZIJN EN GEEN
WERELD
door Christina Guirlande

De versregels ‘waar geen uren te vrezen zijn/ en geen wereld’ uit een
ongebundeld gedicht, zijn kenmerkend voor de leef- en gedachtewereld van Bie
Wouters, auteursnaam waarmee Gabriëlle Wouters-Ceuppens haar gedichten
signeert.
Volgens deze Kalmthoutse dichteres is poëzie ‘willen zwijgen maar niet kunnen’
en is
‘de luxe van poëzie dat ze niets hoeft te bewijzen en niemand hoeft te
overtuigen’.
In een kort gedicht geeft zij een zekere verantwoording voor haar
werk:
‘ik lijst mezelf in voor later’. Haar poëzie wil vasthouden, de tijd
vastleggen.
Bie Wouters schrijft met gewone dagelijkse woorden diepzinnige en beklijvende
poëzie. De meest voorkomende zijn: kinderen, zoon, vrouw, zus, man, huis, kamer,
brood, muren, bed, glas. En verder: water, bomen, vijver, gras, heide, wolken,
lucht, sneeuw, bos, bloemen, appelen, zomer, sterren…
Hiermee schrijft men enkel huis- tuin- en keukenpoëzie zou men misschien
geneigd zijn te denken, vooral wanneer die poëzie door een vrouw is geschreven.
Niets is minder waar. Bie Wouters schrijft inderdaad over tuinen, over de heide
en het bos, over haar te grote, lege huis. Maar de wijze waarop zij dit doet
getuigt niet alleen van een gedegen vakkennis maar ook van levenservaring, van
diepe menselijkheid. In haar gedichten overheerst een zachte melancholie,
‘weemoed met de beste wil van de wereld/ niet te stillen’, ingegeven door haar
milde benadering van het leven. Slechts af en toe krijgen ze heel even een
bittere of cynische ondertoon.
Dikwijls zijn de beginregels een waarneming die diepere gevoelens losmaakt:
‘zwart is de schaal. zo ook het water/ dat haar vult tot aan de lippen…’// ‘de
klas is leeggevloeid van kinderen…’// ‘mijn handtas altijd binnen bereik/
volgestouwd met de vertrouwde overtolligheden…’// ‘gelukkig was er een raam/
dat uitkeek op een lap duisternis…’// ‘waar wazig gras onder het water schuift…’
// ‘op het tuinpad hoor ik u komen…’// ‘de baan onder mijn wielen/ was rechter
dan ik kon verdragen…’// ‘vijf vrouwen onder een glazen luifel…’
De voorbeelden zijn legio.
Bijna elk gedicht verrast door de zeer persoonlijke en originele beeldspraak.
Voorbeelden zijn er in overvloed. Een kleine keuze:

   
‘…als ik ’s morgens lig na te dromen
   mijn rug waterpas en zwaar gebed in een materie
   die aan schapenwolken herinnert, dan is het
   of ik ondersteboven zwem. houten balken
   delen de zoldering in banen…’

   ‘… neem ik de lucht bij een tip
   zijden bruidslaken
   in mijn bovenste lade…’

   ‘… de strijkplank bij het raam
   de vierpikkel, de monstermug,
   mijn strijdros zonder manen,
   de steltloper met de botte snuit
   en mijn even bot gevoel vanbinnen…’

   ‘… in volle vleugelbreedte
   hangt een reiger gekruisigd…’

   ‘… langs de zandweg naar de hei
   loop ik mijn nieuwste kleed te passen
   van wolkensoepele stof…’

   ‘… goudvissen zitten in het ijs gebakken
   als rozijnen in wit brood…’

   ‘… op handen en voeten kroop de zon rond in het mastbos
   dodelijk geraakt of levensmoe, wie zal het zeggen…
   (…) de stammen gingen zwart glimmen en dampen,
   rijzige kinderen pas uit bad gestapt in een koude keuken…’

Dit zijn fragmenten uit de bundel ‘Vrouw achter zeven sloten’ (1988), een
kunstuitgave met 36 gedichten van Bie Wouters en 7 zeefdrukken van Rudolf
Meerbergen.
Ook in de bundel ‘Gamander en ander kruid’, (1995) met 48 gedichten van Bie
Wouters – Ceuppens en 9 tekeningen van de kunstenares Myriam Ceuppens,
wordt de lezer opnieuw getroffen door de ongewone beelden:

  
 ‘… in een azuurblauwe kinderwagen
   lag een wolk van een kind…’

   ‘… appelen hangen aan bomen, liggen in manden.
   er zijn rasappelen en straatappelen,
   rondborstige appelen om zo in te bijten (…)
   appelen die te mooi zijn om waar te zijn
   en appelen die geen appelen zijn (à la Magritte)
   de appel die niet ver van de boom valt
   en spreekwoordappelen bij de vleet…’

   ‘… ruitenwissers zijn de wimpers van de wagen,
   twee losse veren van je engelbewaarder…’

   ‘… ook was er een huis ineengekrompen van de kou,
   twee vergeten hooimijten met witte punthoeden
   en een rij visgraatbomen van schamele komaf…’

   ‘… ze verpakte blauwe lucht
   in kamergrote dozen van glas…’

   ‘… een handvol sterren
   met blinde steken vastgenaaid…’

   ‘… onweerswolken lagen
   op een spijkerbed van weipalen…’

   ‘…sterven is (…)
   in het donker dichtklappen als een knipmes…’

En als laatste voorbeeld in deze rij, het slotgedicht uit ‘Gamander en ander
kruid’:

   
de hemel weet
   en allen kunnen getuigen
   dat ik een serre wou zijn
   met smalle kantelramen
   waar donslucht op de bedden ligt
   waar zaailingen zuinig ademend
   naar het zonlicht ranken
   waar kiemen en doodgaan
   in elkaars armen liggen,
   broos lichaam van glas
   onder de sterren.

Broos lichaam van glas, broze mens die met zijn beperktheid moet leven, ‘serre’
wil zijn, warmte-, licht- en levengevend, maar ook met sterven, afsterven
geconfronteerd wordt, die onder de grote sterrenhemel onooglijk en nietig is,
maar toch blijft dromen. Wat niet kan in de realiteit, krijgt gestalte in de
wensdroom.
‘In mijn dromen schilder ik/ als Vermeer van Delft’ schrijft
Szymborska…
Dit korte gedicht is af. Het is beeldrijk maar toch sober. Zoals in al haar
gedichten gebruikt de dichteres geen hoofdletters. Het vraagt ook niet om méér
woorden dan er staan. Het gaat er bij Bie Wouters trouwens niet om de lezer te
overbluffen met lange uitgesponnen zinnen. Dit beknopte gedicht is uitgepuurde
poëzie die de ogen doet glanzen, ook al ligt er waarschijnlijk een gevecht aan de
basis van dit gedicht, het onophoudelijke gevecht met zichzelf.


‘het kind (…) dat in een zee van kinderen verdronk…’

Wie kinderen heeft grootgebracht weet maar al te goed wat loslaten en
afscheuren betekent.
‘Uw kinderen zijn uw kinderen niet’ lezen we bij Kahlil
Gibran in ‘De Profeet’. Ouders geven het leven, maar kinderen rukken zich los,
gaan hun eigen weg. Dat losrukken gebeurt al heel vroeg, eigenlijk onmiddellijk
na de geboorte: een kind heeft zijn moeder niet echt meer nodig om in leven te
blijven. Een tweede ‘afscheuren’ gebeurt wanneer een kind alleen kan stappen:
het heeft geen hand meer nodig om het te leiden. Een derde ‘breuk’ is het
schoolgaan. (In het huidige leefpatroon het verblijf in kinderkribben en in de
opvang.) Het kind brengt het grootste deel van de dag door bij vreemden.
De eerste schooldag moet de dichteres zeer hebben getroffen:
‘het kind dat
voor de schoolpoort stond/ en in een zee van kinderen verdronk’
. De moeder
staat het kind af, ook al is het maar voor enkele uren. Het hoort nu bij een
groep. Ze besluit het gedicht ‘1 september’ met de versregel
‘op slag was ik
armer dan de straatstenen’.
Ontroerend zijn al de gedichten waarin Bie Wouters het over kinderen, haar
kinderen heeft.
Ze liepen
‘lichtvoetig  door de kamer’ om haar te laten rusten toen ze ziek was,
gaven haar
‘een slok water/ die mij moest genezen, onmiddellijk nog wel’. Ze
drukt haar geluk uit in de regel
‘de hemel te rijk was ik’. Dit voorval herinnert
zij zich veel later, op een
‘moederdag zonder bloemen, zonder woorden.’
Het kind is hier bron van geluk én van verdriet. In al zijn eenvoud is dit een
intens en geladen gedicht dat de hele tragiek van de moeder-kindrelatie in zich
draagt. Haar belijdenisgedichten zijn
‘een dagboek, te lang verzwegen/ dat
openvalt op zijn intiemste bladzijde en/ zich gewonnen geeft aan de eerlijke
vinder’
, de lezer dus, die kan vergelijken en aanvullen met de eigen ervaringen.
Willen zwijgen maar niet kunnen. De dichter heeft alleen de taal ter
beschikking. Zijn, in dit geval haar dagboek, is herkenbaar op elke bladzijde. Zo
ook het gedicht ‘Kindersandalen’. De kinderschoentjes werden als aandenken
verbronsd op de kast gezet. Maar het hoefde niet echt want de dichteres
herinnert zich nog haarscherp hun
‘venijnige gespen’ waar ze zich aan bezeerde
omdat ‘kwikzilveren voeten’ ze droegen. Nu het kind volwassen is zegt ze, met
pijn in het hart:
‘over de man van nu zwijg ik wijselijk want/ ik huiver in de
schaduw van hoge bomen’.
Alleen in de herinnering ‘…strijk ik over zijn
hooggewelfde wreef/ zo vaak en zo lang ik wil’
. Door het verstrijken van de tijd
is er een afstand ontstaan, een kloof die niet meer te dichten noch te
overbruggen is, tussen de moeder en de zoon die haar ‘in alle onschuld vreemd
werd’.
Dit beklijvend gedicht heeft niets met sentimentaliteit vandoen. De dichteres
geeft ook hier blijk van beheersing, van ingehouden emotie. Door die
gereserveerdheid maakt haar werk indruk en komt het oprecht over, zonder
poze.
In het gedicht ‘over je schouder’ wordt de vervreemding tussen moeder en zoon
nog méér benadrukt: ’
ik ben je spoor bijster,/ ik ken je vrienden niet,/ noch de
maatstaven van je geluk’.

De bundel ‘Vrouw achter zeven sloten’ bevat twee merkwaardige gedichten onder
de gemeenschappelijke titel
‘Als het licht van mijn ogen’. Elk gedicht kreeg ook
een afzonderlijke titel mee:
‘mijn linkeroog’ en ‘mijn rechteroog’. In deze
gedichten plaatst zij haar twee zonen naast, of beter nog tegenover elkaar. Ze
zijn verschillend als de dag en de nacht. Tegenover de ene zoon, haar linkeroog,
‘die gebaren en woord duur verkoopt’ en ‘met de strengste wetten meet’
(advocaat?) geeft zij toe dat ze altijd bij hem ‘in de schuld zal staan’. De
andere,
‘de man die mij node verlaat’ noemt zij ‘de vlinder voor mijn zon’.
De dichteres laat ‘eindelijk haar hart spreken’ en de twee gedichten eindigen met
dezelfde, bijna evangelische slotregel:
‘deze is mijn teerbeminde zoon’.
Hoe verschillend zij ook zijn van elkaar, een moeder kiest niet tussen haar
kinderen. Zoals zij niet kan kiezen tussen haar linker- en haar rechteroog.

‘samen zwommen wij de nacht in (…) mijn zuster en ik’

Herinneringen aan de eigen kindertijd blijven scherp in het geheugen gegrift,
een leven lang:
‘de slaap ligt naast mij in bed/ gelijk mijn zuster toen’. De
dichteres vergelijkt de slaap met de rust- en zekerheidgevende aanwezigheid
van haar zus:
‘wij waren kinderen en/ wij sliepen samen./ het was oorlog buiten
(…) sirenen huilden/ het buurmeisje lag al weken/ begraven onder het puin/
maar het bed was warm en/ de lakens geurden naar zon en wind’
.
De oudere zus geniet het volle vertrouwen van de jongere die op haar rekent,
zodat deze zich veilig voelt en rustig kan inslapen, zelfs in onveilige
omstandigheden, want ‘
… vooral, ik geloofde haar./ de wereld verging misschien/
maar wij waren veilig ingekapseld/ van hoofdsponde tot voeteneind/(…) haar
vrede overspoelde mij/ en samen zwommen wij de nacht in.’
Dit beeld ‘zwemmen’ zal in andere gedichten nog meermaals aangewend worden.
Water is trouwens een belangrijk element in het leven en in de poëzie van Bie
Wouters, maar daarover verder meer.
In een later geschreven, kort gedicht, schrijft zij over de pijn om het vertrek
van die zus:
‘… mijn teerste naden scheurden (beeld!)/ toen mijn zus vertrok en/
onze kindertijd begroef / in vreemde grond’.
Bij deze gedichten denk ik onwillekeurig aan de bundel ‘Tortels in het
Trappenhuis’ (1982) van Aleidis Dierick, een bundel gedichten die eveneens over
twee zussen handelt:
Wij waren jong./ Wij zwommen in zoetwatermeren./ (…) Wij schikten poppen in
het gras/(…) Zo weerloos waren wij toen bezig/ te spelen wat zo ernstig was.’
Beide dichteressen zijn generatiegenoten en hun kindertijd heeft dezelfde
kenmerken. Ze schrijven hier over hetzelfde onderwerp, maar ieder in de eigen
toonaard. Allebei geven zij de thematiek weer van herinnering die gelukkig
maakt, maar toch pijn doet om het definitieve, het onomkeerbare. Herinneringen
rakelen op, maken wakker, maar halen de tijd nooit terug.

‘meer van vlees en bloed dan iemand had vermoed’

Herinneren, ondergaan, (soms met de klemtoon op de eerste lettergreep) als
vrouw, als moeder, als mens, zichzelf voortdurend ondervragen, zijn steeds
terugkerende thema’s in het werk van Bie Wouters. Het thema ‘vrouw’ krijgt een
ruime plaats, in beide bundels.
Vrouw zijn betekent het dagelijks kleed van plichten dragen, zo wordt van haar
verwacht:
   
‘eer het licht in de lucht kwam
   trok ze haar dagelijks kleed aan.
   mijn kleed van plichten, (…)
   ze droeg het met waardigheid,
   met een zekere zwier zelfs.
   Nu eens gleden de uren door haar handen,
   dan weer strompelden ze pijnlijk over haar rug…’

Maar soms wordt het haar toch teveel en ze protesteert, maar wel zwijgend:

   
‘…geen woord kwam over haar lippen,
   maar heel soms stroopte ze haar mouwen op
   bij wijze van onderduims protest…’

Daar blijft het ook bij. Elke dag opnieuw draagt zij dit ‘kleed van plichten’ en
tast het ’s avonds
‘op een levenshoge stapel’ waar het ‘moeiteloos in de juiste
plooien’
valt.
De dichteres besluit het gedicht met de regels:

   
‘…maar de vrouw, zij snakte naar adem nog lang
   nadat het licht uit de lucht week.’

Een prangend gedicht, dat toch nooit wrang wordt. Gelukkig zijn er ook
momenten waarop iemand haar
‘tot overmaat van weelde (…) verwent met
melodieuze frasen’
. Dan voelt zij zich in al haar vezels ‘van vlees en bloed, meer
dan iemand had vermoed’
en springt zoals de schone slaapster in het gedicht
‘sprookje’
   
‘… het bed uit, loopt de deur uit,
   daar staat zij, in de gietende regen,

een furie met hangborsten en slangenhaar.

   maar zij is in de zevende hemel, want vrij,
   onbeschrijflijk, onomkeerbaar vrij.’

Zij wil zich in evenwicht houden, geeft zelfs de raad ‘verslijt jezelf tot op de
draad/ dag na dag/ en waan je onmisbaar’
. Dus toch het dagelijkse plichtenkleed?
Dit is nochtans niet in tegenstelling met wat zij eerder schreef, want
‘wees
vrouw in hart en nieren’
besluit ze, ook wanneer op sommige dagen ‘haar doen en
denken/ door moederkoren is aangetast/(…) geschonden haar aangezicht/
verdwaasd haar hart’ en een ‘stem van de overkant’ haar aanmoedigt:

   
‘zwem naar de overkant.zwem.zwem dan.
   vertwijfeld klauwde zij in het rond, maar
   mettertijd pakte het water haar zo stevig beet dat
   zij zich heel en al op die stem verliet: zwem. zwem dan.
   over haar schouder vroeg ze: is er wel een overkant?

   gij kleingelovige, zwem toch. zwijg en zwem.
   dat deed ze met overgave en met de jaren
   droegen de golven haar vlotter en vlugger.
   toen ze de lissen langs haar benen voelde strelen
   klom ze aan land en legde zich in het gras te drogen.

   een zilveren vogel streek langs haar neer en de zon,
   in haar grote goedheid kuste haar de ogen toe.

In haar twee bundels komt logischerwijze ook de verhouding man-vrouw aan bod:
‘met de wreedheid, die hem in die dagen tekende,/ plantte hij zijn
welbespraaktheid wijdbeens/ voor haar voeten’.
De vrouw grijpt niet in, alleen
‘…haar polsen blonken van het handenwringen (…) in elkaars aanschijn/ werden
zij tot stof en as’
, zij, de ‘vrouw die niet te paaien is’, en de ‘vreemde man/ die
tegenover haar aan tafel zit
’, wetend dat ‘in de zelfkant van ons bloed/ een
beter plan voor de liefde is verweven
’.
Hoe bitter deze versregels ook klinken, al vlug draait de dichteres zelf de
situatie om:
‘zoals water in wijn verandert/ of eeuwig stilzwijgen in omarming’.
In een ander gedicht lezen we:
’met hete hechtvingers/ bij u aan boord klimmen/
(…) mij in graniet verankeren en/ eeuwig uw verstekeling zijn./ dat wil ik./ dat
zal ik.’
Dit gedicht doet aan Margareta Vasalis denken, waar zij schrijft:

‘Tussen waanzin en bezonnenheid
waakzaam en ook verloren,
ondragelijke weelde en armoedigheid,
moet ik u toebehoren.

Soms sta ik in dit evenwicht
als een pijl trillende opgericht,
dan is het als in sommige dromen
dat men schreeuwen moet, maar geen geluid
wil komen.’

De titel van bovenstaand gedicht van Margareta Vasalis luidt ‘Aan het vers’. Het
staat de lezer vrij om het naar eigen aanvoelen te interpreteren.
Er is nog een gedicht dat duidelijk verwante kenmerken heeft. Leest men bij Bie
Wouters

‘op het tuinpad hoor ik u komen(…)
wijl ik u verwacht (…)
uw schaduw mij besluipt tot aan de lippen,/
hoe zal ik u groeten?
gemoedelijk gonzen onze stemmen, maar
aan onze voeten (…)
gloeit vuurrood de magische bladvlek,
de pijn om de kus die wij elkaar niet gaven’

dan verwoordt Margareta Vasalis dit gegeven als volgt:

‘Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt,
grijpt mij uw schoonheid als een wanhoop aan,
een wanhoop door geen troost te blussen,
niet door te spreken, niet door te kussen,
even groot als mijn bestaan en even oud.’

Op subtiele wijze verwoorden beide dichteressen wat in de vrouw omgaat,
fluisterend, voorzichtig aftastend; hevige gevoelens nochtans, omgezet in taal, in
woorden die genezen, een vinger op de zere plek leggen, geluk en verlangen
toegeven, verdriet en pijn benoemen en daardoor deels bezweren.
Er zijn nog andere gelijkenissen: Beide dichteressen zijn wars van grootspraak
en uiterlijk vertoon, blijven het liefst onopvallend, houden van sereniteit en
stilte, publiceerden drie dichtbundels. (Behalve ‘Vrouw achter zeven sloten’ en
‘Gamander en ander kruid’ publiceerde Bie Wouters een eerste bundel
‘Verscholen vennen’, 1983.)
In tegenstelling tot Margareta Vasalis, overleden in 1997, kunnen wij van Bie
Wouters nog nieuwe publicaties verwachten. Zij beschikt immers over een
voorraad aan ongebundelde gedichten die alleen op poëziekaarten werden
afgedrukt.

In het gedicht ‘vijf vrouwen’ confronteert de dichteres de lezer eveneens met
het dagelijkse, in dit geval het dagelijkse wachten, op de trein, op erkenning, op
het einde van de sleur. Het gedicht vertrekt vanuit een concrete situatie:
‘vijf
vrouwen onder een glazen luifel/ ze wachten zolang er te wachten valt/ met de
glans van spoorstaven in hun ogen/ (…) strandvogels starend over die ene zee./
een handvol dagelijkse vrouwen/ klokvast afgevoerd en doodgezwegen.’
Deze vrouwen zijn anoniem, ze ‘tollen enkele keren om hun as’,  en hebben
behalve hun handtas alles bij zich wat voor hen het leven uitmaakt, alles wat zij
als vrouw hebben
‘opgeraapt, stukgeslagen, gladgestreeld’. Wanneer de trein, het
alledaagse, hen opslokt, lijken ze nooit bestaan te hebben.
‘hadden ze daar ooit
wel gestaan/ onder die glazen luifel?’
besluit dit beklijvende gedicht dat
misschien wel een van de sleutelgedichten is uit het werk van Bie Wouters. De
vrouw, ook de anonieme, is een lotgenote. Ondanks alles is zij ‘dagelijks’ op post,
als het moet met
‘scherven van een lichaam’. Ook dan ‘raapt zij de wereld op’,
heeft hem ‘in de armen genomen/ met mijn slaapdeken toegedekt/ (…) ik wist wat
mij te wachten stond/ en nam er moeiteloos vrede mee’.

‘zou ik gestorven zijn buiten mijn weten?’

Toen Bie Wouters in 1995 plots weduwe werd door het onverwachte overlijden
van haar echtgenoot (jurist, schreef ook boeken over linguistiek en
antropologie), werd het huis, voordien al door de kinderen verlaten, niet alleen
te groot maar ook te leeg.
Dagelijks geconfronteerd met het alleen-zijn,
‘een vis kan niet geluidlozer zijn’,
bekent zij in het gedicht ‘appelschil’ hoe leeg zij zichzelf ook soms voelt:

‘een appelschil
spiraalgewijs aaneengepast
maakt nog geen appel.
kleed van – gemis aan,
maar geen appel.’

Het is slechts een omhulsel. Binnenin is er niets. Zoals die appelschil is zij

‘leeg, mensen, leeg.
nooit lag een blad zo voos op het weter,
nooit was er een wezen
zo zonder vruchtvlees…’

Vertwijfeld vraagt zij zich af:

‘Zou ik gestorven zijn
buiten mijn weten?’

Onlangs ontdekte ik een kort gedicht van de Letse dichter Janis Elsberg (°
1969), zoon van de in Letland zeer bekende dichteres Visma Belsevica en broer
van de al even bekende dichter Klavs Elsberg (onder verdachte omstandigheden
verongelukt).
De aanleiding tot het schrijven van dit gedicht zal wel van een andere orde zijn
geweest, maar toch stelt Janis Elsberg zich dezelfde vraag, al legt hij de
woorden in de mond van een ‘dronken heer’:

‘Ik loop op straat en vraag mij af
waarom mijn sporen niet zichtbaar zijn.
Ik liep hier gisteren al.
Ik heb hier mijn hele leven gelopen.
Ik kijk niet om
uit angst dat ik zelfs mijn schaduw niet zie.
‘Leef je?’
vraagt mij plotseling een dronken heer.
‘Ja, ja’ zeg ik haastig.
‘Ja, ja’ zeg ik
erg haastig.’

De dichter herhaalt dit ‘ja’ meerdere keren, als om zichzelf ervan te overtuigen
dat hij leeft!

Wanneer het alleen-zijn overgaat in eenzaamheid bekent de dichteres soms te
verlangen naar een soort onbewuste toestand, om niet telkens opnieuw
‘de wrange
smaak van overbodig ontwaken’
te moeten proeven: ‘niet weten dat je bestaat/
en toch terecht bestaan. kon dat maar’
, wenst ze.
Het thuiskomen in een huis waar niemand haar opwacht verwoordt ze in
verschillende gedichten:

‘…ik zal zelf
de deur openmaken al heb ik mijn armen vol.
binnen geven de dingen taal noch teken.
ik zal de stoelen rond de tafel schuiven en
mezelf een thuis maken met wat kamerlucht,
het zuchtend ademen van de hond,
wat heimelijke plannen voor morgen
en een kraai op een weipaal ver weg.’

Als enig gezelschap rekent zij op de hond, op een kraai in de verte. Een
schrijnend gedicht.
In een ander gedicht dat opent met de versregel ‘zij bouwde zich een huis’, gaat
zij nog dieper op dit gevoel van eenzaamheid in:

‘…ze verpakte blauwe lucht
in kamergrote dozen van glas.
daarin leefde ze samen met
een tafel en vier stoelen
een bed om in te slapen (…)
verdwaalde vogels waren altijd welkom,
toevallige bladeren, sneeuwvlokken.
nu en dan nodigde ze een mens uit
want wat heeft een huis te betekenen
als er nooit eens stemmen ronddolen
die in hoeken en kanten neerstrijken…’

Voorwerpen, dieren, volstaan niet om zich een thuisgevoel te scheppen.Er zijn
stemmen nodig, de aanwezigheid van anderen. Dit gedicht eindigt met de
gevolgtrekking

‘zo zou men nooit kunnen zeggen
dat zij altijd alleen was.’

Ontbreken de anderen, dan leeft zij met herinneringen, die ze bij zich draagt in
haar
‘handtas altijd binnen bereik/ volgestouwd met de vertrouwde
overtolligheden’.
Zij somt ze ook op: ’haarspelden en zorgvuldig opgespaarde
groeten/ een wilde kastanje die geluk moet brengen/ lippenrood om te verleiden
en doekjes tegen het bloeden’
, maar ook de ‘walm van dagelijkse sleur tussen de
naden/ angst en woede met blinde steken vastgehecht/ geheimen die hun frisheid
hebben verloren’.
Ze stelt vast ‘tot op de draad versleten en zacht als was/ zijn mijn
herinneringen’.
Met de tijd worden de herinneringen immers zoeter, en ze geeft
toe ‘
…ik kan er niet van scheiden’. Maar dan bedenkt ze zich: ‘toch wel, voor een
vriend van vlees en bloed/ wil ik ze ruilen, allemaal, zonder verpinken’.
Hoe menselijk komt dit gedicht over. Door de vertwijfeling en het gevoel van
eenzaamheid zo onomwonden te bekennen, hebben haar woorden een bevrijdende
en genezende kracht waar de lezer baat bij heeft. Haar gedichten krijgen
daardoor een sociaal karakter. De ‘ik’-persoon wordt ‘wij’. De bewering van
Baudelaire als zou poëzie geen ander doel hebben dan zichzelf, is zeker niet van
toepassing op het werk van Bie Wouters.

In het gedicht ‘baksteenrood’ wijst zij ons de weg, de vluchtweg, voor wanneer
‘de kamer te eng werd en te kil’. De ‘lege’ kamer is te ‘eng’ en niet te ruim! Bij
een oppervlakkige lezing zou dit als een paradox kunnen overkomen. Wat zoekt
zij in de litho
‘winterlandschap’ aan de muur die ‘nooit bepleisterd’ werd, een
litho
‘voor een derde gevuld met sneeuw’? Wanneer zij wil vluchten voor de
realiteit, wil vergeten
‘dook ik er middenin en verdween. ik hoorde nog/ hoe een
bakstenen deur achter mij dichtviel./ en dan was er het pijnstillende dwarrelen
van sneeuw,/ een landschap vol, een mensenhart vol, boordevol.’
Sneeuw stilt pijn en verdriet, als een deken bedekt zij de te dragen
eenzaamheid, zij geeft rust en de gezochte vrede. De Finse dichteres Sirkka
Turkka (°1939) drukt dit als volgt uit:

‘Ik geef het verdriet geen ruimte,
laat het niet dichtbij komen. (…)
Alles wat ik vraag
is duizend meter sneeuw op mijn hart.’

Merkwaardig hoe beide dichteressen, zonder het van elkaar te weten, hetzelfde
vermogen toekennen aan sneeuw. De Finse dichteres vraagt niet minder dan
‘duizend meter sneeuw’ om het verdriet toe te dekken. In een onmetelijk,
dunbevolkt land als Finland is het niet verwonderlijk dat men eerder aangewezen
is op de omringende natuur dan op mensen. Ook voor Bie Wouters is de natuur
levensnoodzakelijk. In elk gedicht is de natuur in een of andere gedaante
aanwezig. Zelfs in
‘de vrouw van Loth’, een gedicht waarin zij ‘oudgeworden
moeders’
aanraadt ‘het park te mijden, waar/ een beate glimlach om de vijver ligt’
. Zij moeten het park mijden omdat er ‘bloeiende bomen zijn’, omdat jonge ouders
er met hun kinderen ‘ruiter en paard’ spelen. Als zij dit zien zullen ze voor de
rest van hun dagen
‘de lege kriepende schommels zien’ in hun eigen tuin, die
‘kinderloze uren aftikken’.
Wat moeten zij dan wel doen:

‘… hun memoires begraven in het rozenbed,
dan onthecht het pad volgen
de keien nauwelijks beroerend,
de brug over, de poort uit, de straat op
en niet één keer omkijken. zoniet
worden ze van zout en ze zien hun kinderen
nooit meer, nooit meer.’

In het gedicht van Wiszlawa Szymborska, met gelijknamige titel ‘De vrouw van
Lot’, vindt men volgende regels:

‘Naar men zegt keek ik om uit nieuwsgierigheid.
Maar naast nieuwsgierigheid kon ik ook
andere redenen hebben.(…)
Opeens voelde ik de ouderdom in me. Verwijdering.
Ik keek om uit verlatenheid…’

Het omkijken naar vroeger komt de vrouw in beide gedichten duur te staan.
Szymborska drukt het anders uit maar de inhoud is dezelfde: bij het omkijken
voelt men zich opeens oud, de eigen ervaring ligt onherroepelijk achter de rug,
de verwijdering snijdt als een mes.

Het gedicht ‘het gesloopte huis’ vertrekt, zoals het overgrote aantel van de
gedichten van Bie Wouters, vanuit een waarneming:
’ze lag bewusteloos in mijn
hand/ de roos die verweesd achterbleef’
. Is de roos hier een metafoor voor de
vrouw, de mens die alleen achterblijft wanneer het vertrouwde wegvalt? In het
gedicht verdwijnt
‘de haag die haar in bescherming nam/ als de wind door het
schaarbos raasde/ de jonge berk die haar overlommerde (…) het stille witte huis
dat er/ op een zekere dag niet meer was…’
In een brief gaf de dichteres hierover volgende verklaring: ‘In de tuin rond een
gesloopt huis vond ik een eenzame roos. Dat gesloopte huis kan het symbool zijn
van wat er met een mens gebeurt: ons lichaam is op een bepaald moment
ondermijnd, het wordt afgebroken. Maar ergens in de buurt staat altijd een roos
te bloeien, die niet méér vraagt dan dat er iemand aandacht voor haar heeft. Al
is het oude huis verdwenen, er is plaats voor nieuw leven. We hoeven zelfs wat
voorbij is niet te vergeten. Alles is de moeite waard om herinnerd te worden,
zelfs het ergste. Als we dàt niet kunnen geloven, kunnen we niet verder.’


‘waar geen uren te vrezen zijn en geen wereld’

Bie Wouters studeerde aan de Rijksuniversiteit te Gent en was lerares
geschiedenis, Aardrijkskunde en Moraal van 1953 tot 1970. Ze zet zich in voor
milieu-en natuurbescherming en is sinds 1973 gids in het Arboretum van
Kalmthout waar zij woont, en sedert 1985 in Hemelrijk Essen.
Tot hiertoe heeft zij al meer dan 3000 gidsbeurten op haar actief. Op aanvraag
geeft zij in het Arboretum literaire rondleidingen. Een ware belevenis.
Ze schrijft bijdragen over planten, tuinen en landschappen, is eveneens auteur
van landschapstudies, o.a. over de Kalmthoutse heide en is co-auteur van ‘De
ecologische siertuin’, (1992), ‘Het leven begint in de Herfst, Het Arboretum in
de vier seizoenen’, 1998, met Jelena De Belder, en, eveneens met Jelena De
Belder ‘Winterbloeiers’ 2001.
De heide, de bomen en planten uit het Arboretum, vijvers en plassen, de natuur
in het algemeen, nemen een bijzondere plaats in haar leven in. Zij is ermee
vergroeid:
‘… en mijn stappen groeien jonger en jonger/ als ik op blote voeten
zweef/ tussen vlekken water en wei/ (…) ik drijf languit/ en waan mezelf
voorgoed geborgen/ in mijn kleed voor het leven/ mijn heidekleed.

Met dit ‘heidekleed’ wil zij langs de ‘vage oever’ lopen, daar waar water en gras
in elkaar overvloeien en letterlijk vervagen. Zij drukt dit uit in een bijzonder
gedicht:

   
waar wazig gras onder het water schuift,
   waar teder water over het gras vloeit
   heen en weer golvend, heen en weer,

   zou daar de vage oever zijn waar wij
   mogen ankeren en groeien
   ons van geen zwakheid bewust,

   met de wazigheid van gras
   met de tederheid van water,
   aandoenlijk onzeker als wij zijn?

‘Met de tederheid van water’, het water als troost, als toevlucht, als symbool van
rust en geluk, van confrontatie met zichzelf ook, wetend dat
‘wie zich over het
water buigt/ alleen zichzelf in de ogen kijkt’.
In een ander gedicht gaat de dichteres nog verder. Zij, wij, worden één met het
water, worden zelf water:

   
wanneer wij over water lopen
   en ons kleed van water is geweven

   wanneer wij van water dronken worden
   en water onze wonden heelt

   wanneer wij waterwoorden spreken
   en water ademen, dan pas

   worden wij wat wij altijd al waren
   water, enig, eeuwig water.

Dit sterke gedicht is groot in zijn eenvoud en volmaakt in zijn zegging. Het kan
eveneens als een sleutelgedicht in haar werk beschouwd worden. Water als
metafoor voor het leven. Maar er is ook het ‘stilstaand water’ als symbool van
dood en vergankelijkheid: ‘
dreg dit beschreven blad/ uit het slib van stilstaand
water’
zou dan kunnen betekenen: lees wat ik heb geschreven, lees mij, voor ik
wegzink, voor ik er niet meer ben, want
‘achter de duinkam lag/ van vloeibaar
obsidiaan/ een heidemeer te wachten/ op haar diepste duik/ altijd, en dat wist
zij.’
Ook het gedicht ‘ikebana’ bevat veel meer dan de beschrijving van een zwarte,
met water gevulde schaal met daarin
‘drie lisbladeren (…) en een rozerode
cyclaam, op wankele stelen’
. De lisbladeren ‘klieven de stilte tot waar/ geen
mens kan reiken’
en een ‘tengere bies leeft al in een andere wereld’. Planten,
bloemen, hebben hun eigen stil-leven, en
‘al ligt de stad onder de sneeuw,/ de
schuchtere bloemen/(…) blijven glimlachen/ trouw als ze zijn’.

Het verlangen naar geluk, op iedere leeftijd, naar ‘lichaamswarmte die niet
doven kan of mag of wil’,
is voor haar als een ‘herfstboeket in een schemerhoek,/
dat lijdzaam went aan huiskamerstilte:/ vermoeide kleuren van hortensia,/ het
wazig glimlachen van judaspenningen,/ trilgras en wijnrode esdoornbladeren,/
een snoer klimop die node verwelkt’.
Een ‘stomend winterbos maakte warm te moede’, hamamelis noemt zij
‘engelengeduld dan toch beloond’, zij heeft ‘het paard zien draven: en de
trekvogels benijd (…) bij pozen nog wuivend tussen vlassen halmen en scherpe
lissen’,
zij is het ‘tolerante land (…) veelzijdig eenhuizig’. Eenhuizig, een term uit
de plantenkunde, wat, gezien haar dagelijkse omgang met planten niet
verwonderlijk is.
Aan bomen, planten en bloemen wordt een helende kracht toegekend die
heilzamer is dan woorden van mensen, hoe goedbedoeld ook. Het ongebundelde
gedicht waaruit een versregel als aanhef diende voor deze bijdrage, is daarvan
een treffend voorbeeld. Het is een typisch Bie Wouters-gedicht: rijk aan
beelden, indringend, melodieus, af. Het volgt hier in zijn geheel:

   
al waren soms de ochtenden scherp
   als de rand van een blikken bus
   al sneed ik mij tot bloedens toe
   aan het verstrijken van de uren,
   al vergreep de hele wereld zich aan mij,
   dan nog hervond ik mij moeiteloos
   in de siergrassen die zich vlijen
   tegen de wang van een zwartzijden vijver,
   in de waterlelies die geen weet hebben
   van het verraderlijke slijk aan hun voet
   en bovenal, in het water zelf
   dat boven alle beschrijving staat,
   waar geen uren te vrezen zijn
   en geen wereld.

In de siergrassen, in de waterlelies, maar vooral in het water van de vijver zelf,
kan ze zich moeiteloos hervinden. Daar kunnen de soms eenzame uren waarin
herinneringen de kop opsteken haar niet deren, daar bezeert ze zich niet aan
het verstrijken van de tijd, daar kan de ‘wereld’ haar niet verwonden.

In 1985 ontving Bie Wouters voor haar anoniem ingezonden gedichten de
tweejaarlijkse Blanka Gijselenprijs te Sint-Martens-Latem. Het is
onbegrijpelijk dat de uitgevers van poëzie om allerlei redenen niet
geïnteresseerd waren in haar werk. Wat de dichteres deed besluiten om haar
gedichten als privé-uitgaven te publiceren. (Zie gegevens eerder in deze tekst.)
Een officiële uitgever had het niet beter gedaan.
Het zou de moeite lonen om elk gedicht van Bie Wouters afzonderlijk onder de
loupe te nemen. Het werk van deze opmerkelijke, bescheiden Vlaamse dichteres
is het meer dan waard. Hopelijk verrast zij haar lezers nog met nieuwe
publicaties.

In de dichtbundel ‘Veertien tinten blauw’ (1991) van die andere Vlaamse
dichteres Aleidis Dierick, vindt men een merkwaardig gedicht over…
dichtbundels. Zij ergert er zich over dat dichtbundels tussen ‘een lawine van
titels’ altijd onopvallend achteraan in de vitrine van de boekhandel staan:

‘… hoe kan het bestaan?
Dichtbundels plaatst men zelden vooraan.
Ze zijn altijd te tragisch, te dun, te zwaar.
Schooiend om aandacht, zo staan ze daar:
Noodkreet, Een dijkbreuk, Een vloedgolf van vlinders,
Daklozen, Brandwonden, Woorden van glas.
Hun zomers zijn altijd te heet. Ijzig hun winters.
Op reis. In de regen. Sneeuw op het gras.’

De dichter zal het geweten hebben.


(geplaatst op 27-05-2004)

terug naar boven
© 2002/ 2004 't Prieeltje Online. Disclaimer. Webdesign: Henri Thijs.   't (muzen-)Koeriertje , Het Oog van de Roos en Het Prieeltje
Online zijn trademarks van  Het Prieeltje v.z.w., Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest. (België).  Tel. 0032477794783.  Deze site kan
best worden bekeken met en werd speciaal geconcipieerd voor  de standaardschermresolutie van 800 x 600.